Ook dit deel uit de Ik kan serie heeft een uitgebreide titelpagina, met veel meer gegevens dan er op het omslag worden vermeld. De titel is voluit: Ik kan tuinieren : practisch handboek voor de tuinliefhebber. Practisch met een c, want het is nog 1959. Voor mij ligt de 9e geheel omgewerkte druk. Geïllustreerd met 20 gekleurde platen, 53 zwart-wit platen en 112 tekeningen tussen de tekst. De keerzijde van de titelpagina vermeldt nog, dat de 1e-5e druk EEN GEHEEL JAAR IN DE TUIN getiteld was. Met hoofdletters.
In het woord vooraf wordt uitgelegd, waarom de titel gewijzigd is. De indeling van de werkzaamheden per maand werd behouden maar bekort. Daardoor werd het mogelijk de verschillende onderwerpen die de tuinliefhebber interesseren apart en veel uitvoeriger te behandelen. Dat is dunkt me een voordeel. Aldus de schrijver. Het is, ruim vijftig jaar later, vooral ook een signaal dat het steeds beter ging met Nederland. Dat we meer vrije tijd kregen en dat we minder hard hoefden te werken. Dat tuinieren ook een hobby kon zijn en niet alleen een noodzaak. Vandaar ook de vrolijke dame in overall op het foto omslag.
Het eerste hoofdstuk heet ook hier Een heel jaar in de tuin. Bekort is een wat bescheiden omschrijving voor het rigoreuze snoeiwerk, dat de auteur heeft uitgehaald, om in de stijl van het tuinieren te blijven. Het is slechts 21 pagina's van de in totaal 334 pagina's lang. Wat er voor teruggekomen is, zijn dus de verschillende onderwerpen die de tuinliefhebber interesseren. Soorten tuinen, elk in een apart hoofdstuk. Planten en bloemen, in soorten en maten, over hun verzorging. Een schaduwtuin. De moestuin, het kruidentuintje. Kolossale tuinen en balkontuinen.
Ook dit boek moet een fortuin gekost hebben, destijds. En ook nu vraag ik me af, wie het destijds kocht. Wie het in de jaren zestig op zijn of haar gemak doorbladerde, om het dan ter zijde te leggen. Zich in overal en makkelijke schoenen te hijsen - zo in je daagse kloffie, dat was zonde - en dan vervolgens praktisch toepaste wat hij of zij daarvoor nog had gelezen. Want tuinieren met zo'n boek er naast, dat deed je niet. Ook dat was zonde. Van het boek.
Het geheel eindigt met een register, dat een korte uitleg vooraf heeft. De cursieve cijfers verwijzen naar de bladzijden waar de tekeningen tussen de tekst staan; de Romeinse cijfers geven de nummers der zwarte en gekleurde platen buiten de tekst aan. De nummers der zwarte, ja. Terwijl het toen toch al lang 'de nummers van de zwarte' was. Maar ja. Misschien was dat wel om aan te geven, dat je een voornaam boek in handen had. En daarom dus voornaam moest worden aangesproken. In je eigen boek. Een kostbaar bezit. En dat het van jou was, bewijst de tekst, die op de keerzijde van de eerste, meer bescheiden titelpagina. DIT BOEK BEHOORT AAN. Gevolgd door een stippellijntje. Daarop heb ik mijn naam gezet, gevolgd door de datum van aanschaf, zoals ik dat altijd doe. Ik bezit het sinds 24 april 2011. En ik hou het ook nog wel even in bezit. De Ik-kan serie is absoluut een van de beste weerspiegelingen van die tijd. Geïllustreerd met platen, in kleur en zwart wit, en vele tekeningen tussen de tekst.
Zoek je iets?
Arja Peters (ps. van Chinny van Erven)
De Wildhof (serie)
De klas van Tina (serie)
Fietsclub 'Krap bij Kas' (serie)
Freddy Hagers (ps. van G. Betlem)
Goud-Elsje (serie)
Hans Borrebach (auteur)
Hans Borrebach (ill.)
Helen Taselaar
Herry Behrens (ill.)
Herson (is ps. van Herry Behrens; ill.)
Ik kan serie
Inge Neeleman (is pseud. van Helen Taselaar)
Jeugdhotel De Witte Hengst (serie)
Kluitman Jeugdserie
Manege Picadero (serie)
Max de Lange-Praamsma
Mien van 't Sant
Netty Koen-Conrad
Prisma boeken (serie)
Rie Reinderhoff (ill.)
Sanne van Havelte
Sneeuwbalserie
Uitgeverij De Eekhoorn
Uitgeverij West-Friesland
Witte Raven Jeugdpockets
Zonne-reeks
Zonnebloem serie
correspondentie
huishoudboeken
meisjesroman
uitgeverij Elsevier
uitgeverij Van Holkema en Warendorf
woninginrichting
Over mij
- Marieke
- Omdat oude boeken nog steeds leuk zijn om te lezen, maar omdat er meer is om over te schrijven. Sinds kort dus naast boeken ook oude spullen met een verhaal.
10 maart 2016
24 februari 2016
Lekker eten - eenvoudig koken
Deze Elsevier Pocket is weer een leuke uitdaging voor het vak 'titelbeschrijven' dat ooit op de bibliotheekopleiding werd gegeven. Omslag, titelpagina en rug, het luidt allemaal net iets anders. Wat dit in elk geval is? Een handzaam boekje met een kleurige jaren zestig omslag. En behalve veel genummerde recepten, in hoofdstukken verdeeld en per hoofdstuk een aparte, alfabetische index, staan er ook een paar overwegingen van de schrijfster in. Die zijn 'om te smullen'. Om in stijl te blijven.
Neem nou het hoofdstuk Hoe kookt de moderne gastronoom. Daarin wordt uiteengezet hoe zeer de manier van koken afwijkt van die van 25 jaar geleden. In het geval van deze pocket was dat dus nog vóór de Tweede Wereldoorlog. Er worden gerechten opgesomd, die toen populair waren, maar 'nu' nauwelijks meer opgediend worden. Kijk, afgezien van de kosten ligt de zaak toch wel zó dat wij huisvrouwen overbelast zijn, zo luidt de verklaring van dat fenomeen. Een Aaltje of Mientje achter ons formuis, met haar fijne witte mutsje op, haar zwarte japonnetje en haar zwarte wollen kousen, behoort tot een haast niet meer te geloven legende. Inderdaad. Maar Aaltjes en Mientjes waren ook vóór de oorlog niet gangbaar, hoor. Ik ken ze eigenlijk alleen uit de boeken van Cissy van Marxveldt. De meeste huisvrouwen uit de jaren dertig zorgden zelf voor het eten, het poetsen, de opvoeding.
Ook het hulpvaardige, alles voor ons opknappende meisje in huis, die het ons huisvrouwen vroeger mogelijk maakte om uitgebreid en weloverwogen te winkelen en dan net zo lang in de keuken te gaan kokkerellen als we wilden, behoort tot het grijze verleden. Dat soort meisjes, daar heb ik inderdaad meer verhalen over gelezen. Toch is het nooit zo geweest, dat de gemiddelde Nederlandse huisvrouw zich zo iemand standaard kon veroorloven. In de jaren vóór de oorlog was het crisis. Zo'n hulp in de huishouding moet toch al snel luxe zijn geweest. In de latere delen van Goud-Elsje komt het niet kunnen vinden van een meisje nog wel eens ter sprake. Of gaat het er over vrouwen die 'uit zuinigheid eigenlijk alles alleen doen'. Maar dan zitten we al in de jaren vijftig.
Ook dat was dus allemaal toen. 'Nu' moet moeder de vrouw het allemaal zelf doen. Voor echt, uitgebreid koken is niet veel tijd meer over en dus is het zo handig, dat er 'tegenwoordig' allemaal zo veel diepvries- en blikproducten te koop zijn. Het bespaart veel tijd en is net zo goed als vers. Naar maatstaven van het echte nu, dus opnieuw vijftig jaar later, duurt het allemaal nog veel te lang. En o, wat is het toch weer allemaal vet. Alles met een sausje, gebakken in de boter, royaal voorzien van olie en soms zelfs alle drie. Het waren de jaren zestig, het kon niet op. Letterlijk.
Elsevier moet een gedegen uitgever zijn geweest. Zelfs van een pocketkookboek als dit werd nog een naslagwerk gemaakt. Het is een chronologisch overzicht van gerechten, met tussendoor alfabetische indexen die verwijzen naar genummerde recepten. Waarom een chronologische lijst met nummers, die vervolgens op alfabet worden gezet, vraag ik me als informatiespecialist af. Misschien dat een huisvrouw zo een recept makkelijker kon onthouden. Zodat ze het, als het bij haar heer gemaal en hun gezin in de smaak viel, nog eens kon maken. Het geheel eindigt met een grote, overkoepelende index, ook weer op alfabet met verwijzingen naar receptnummers.
Ik bezit lijvige boekwerken uit die tijd, die zichzelf 'Encyclopedie' noemden, die heel wat beroerder zijn in structuur en opbouw, dan deze pocket. Wat dat betreft is dit kookboekje fenomenaal.
Neem nou het hoofdstuk Hoe kookt de moderne gastronoom. Daarin wordt uiteengezet hoe zeer de manier van koken afwijkt van die van 25 jaar geleden. In het geval van deze pocket was dat dus nog vóór de Tweede Wereldoorlog. Er worden gerechten opgesomd, die toen populair waren, maar 'nu' nauwelijks meer opgediend worden. Kijk, afgezien van de kosten ligt de zaak toch wel zó dat wij huisvrouwen overbelast zijn, zo luidt de verklaring van dat fenomeen. Een Aaltje of Mientje achter ons formuis, met haar fijne witte mutsje op, haar zwarte japonnetje en haar zwarte wollen kousen, behoort tot een haast niet meer te geloven legende. Inderdaad. Maar Aaltjes en Mientjes waren ook vóór de oorlog niet gangbaar, hoor. Ik ken ze eigenlijk alleen uit de boeken van Cissy van Marxveldt. De meeste huisvrouwen uit de jaren dertig zorgden zelf voor het eten, het poetsen, de opvoeding.
Ook het hulpvaardige, alles voor ons opknappende meisje in huis, die het ons huisvrouwen vroeger mogelijk maakte om uitgebreid en weloverwogen te winkelen en dan net zo lang in de keuken te gaan kokkerellen als we wilden, behoort tot het grijze verleden. Dat soort meisjes, daar heb ik inderdaad meer verhalen over gelezen. Toch is het nooit zo geweest, dat de gemiddelde Nederlandse huisvrouw zich zo iemand standaard kon veroorloven. In de jaren vóór de oorlog was het crisis. Zo'n hulp in de huishouding moet toch al snel luxe zijn geweest. In de latere delen van Goud-Elsje komt het niet kunnen vinden van een meisje nog wel eens ter sprake. Of gaat het er over vrouwen die 'uit zuinigheid eigenlijk alles alleen doen'. Maar dan zitten we al in de jaren vijftig.
Ook dat was dus allemaal toen. 'Nu' moet moeder de vrouw het allemaal zelf doen. Voor echt, uitgebreid koken is niet veel tijd meer over en dus is het zo handig, dat er 'tegenwoordig' allemaal zo veel diepvries- en blikproducten te koop zijn. Het bespaart veel tijd en is net zo goed als vers. Naar maatstaven van het echte nu, dus opnieuw vijftig jaar later, duurt het allemaal nog veel te lang. En o, wat is het toch weer allemaal vet. Alles met een sausje, gebakken in de boter, royaal voorzien van olie en soms zelfs alle drie. Het waren de jaren zestig, het kon niet op. Letterlijk.
Elsevier moet een gedegen uitgever zijn geweest. Zelfs van een pocketkookboek als dit werd nog een naslagwerk gemaakt. Het is een chronologisch overzicht van gerechten, met tussendoor alfabetische indexen die verwijzen naar genummerde recepten. Waarom een chronologische lijst met nummers, die vervolgens op alfabet worden gezet, vraag ik me als informatiespecialist af. Misschien dat een huisvrouw zo een recept makkelijker kon onthouden. Zodat ze het, als het bij haar heer gemaal en hun gezin in de smaak viel, nog eens kon maken. Het geheel eindigt met een grote, overkoepelende index, ook weer op alfabet met verwijzingen naar receptnummers.
Ik bezit lijvige boekwerken uit die tijd, die zichzelf 'Encyclopedie' noemden, die heel wat beroerder zijn in structuur en opbouw, dan deze pocket. Wat dat betreft is dit kookboekje fenomenaal.
18 februari 2016
Een zomer op Heidehoeve
Han van Wheel is een held. Van zo'n beetje iedereen. Hij is afgestudeerd ingenieur, maar komt niet aan een baan. Zijn vader was 'administrateur' in Indië bij een suikerfabriek. Die fabriek ging failliet door de crisis, waardoor het gezin alle weelde in de Oost achter moest laten en in Nederland een bescheiden onderkomen moest accepteren. Met alleen maar een hulpje, in plaats van de hele stoet personeel van vroeger. Maar het gaat de familie nog altijd niet goed. Han is steun en toeverlaat van zijn ouders en zus Non.Hij wordt de held van een neef van zijn vader, als hij via hem een baan aanneemt als chauffeur bij kennissen van hem. De rijke familie Terlinde. Han wil dat er geld verdiend wordt. Zodat zijn moeder een hulpje in de huishouding kan blijven betalen en zijn zus, die al een diploma huishoudschool heeft, haar vervolgopleiding af mag maken en niet om geldnood thuis moet komen om moeder te helpen. Dat deden in de jaren dertig zo veel meisjes. Veel schrijfsters vonden die opoffering vanzelfsprekend. Fenna Feenstra blijkbaar niet.
Han wordt in het verhaal vervolgens held van de totale familie Terlinde. Hij redt Heidehoeve, het buitenhuis op de Veluwe, door er een net ontdekte brand te blussen. Zo wordt hij als eerste de held van de oude heer, die op zijn Indisch 'Kaihi' wordt genoemd. Hij wordt de held van butler Jacob en zijn vrouw die in de keuken werkt. Hij zorgt voor schoondochter Trudy, getrouwd met zoon Rudolf Terlinde, die marinier is. Trudy is ziekelijk en komt met haar drie kinderen op Heidehoeve logeren. Zo wordt hij ook de held van de jonge kleinkinderen Terlinde.
Daarna volgen Miek en Rik Terlinde, zoon en dochter van de oudste zoon die, jawel, ingenieur is en in Indië zit. Rik is al meteen idolaat van Han. Miek zou het wel willen zijn, maar ja, die heeft zich halsoverkop verloofd met Emiel van Dijken. En je gaat je toch niet inlaten met de chauffeur van je opa, al is hij nog zo aardig. Het is je stand niet. Het kan gewoon niet.
Maar stukje bij beetje wordt Han ook de held van Miek, die dankzij hem leert inzien dat Emiel haar niet waard is. Miek moet er eerst een flinke blindedarmontsteking voor krijgen. Daarna moet Rudolf nog worden overgehaald, dat Han een held is. Han weet een ongeluk te vermijden met de grote Cadillac en wordt daarmee een nog groter held. Emiel moet de aftocht blazen. En uiteindelijk wordt hij zelfs de held van oma Terlinde, die hem heel lang zag als chauffeur en dus minderwaardig.
Dan schrijft de oude heer Terlinde zijn zoon in Indië een brief. Hij weet dat Han eigenlijk ingenieur is. Zoon biedt hem een goede baan aan. Zo reist Han terug naar zijn geboorteland, waar hij Miek treft, die naar haar ouders terug is gegaan. Miek is nu dus ineens de dochter van zijn werkgever. En Han blijkt geen chauffeur van opa, maar een kundig ingenieur. Eentje die eerlijk toegeeft, dat het werken als chauffeur beneden zijn stand was. Het was niet erg om zo je geld te verdienen, maar hij doet het toch liever niet. Miek en hij worden een stel, maar beginnen eenvoudig.
Voor zover dat gaat, 'eenvoudig beginnen' in een rijke familie. Opa Terlinde stuurt bij wijze van huwelijkscadeau een geldbedrag. Een 'een met vier nullen'. Tienduizend gulden, dus. Het moet een fortuin zijn geweest, in die dagen. En alsof dat nog niet genoeg is, doen zijn schoonouders er een nieuwe auto voor ze bij. Zo komt het huwelijk in zicht. Een huwelijk waarvoor de overige familie Terlinde met de boot overkomt. Waarbij de melding wordt gedaan, dat ze Jacob en Trui als bedienden graag hadden meegenomen, als zij Nederland maar hadden willen verlaten. Maar dat wilden ze niet. Vader, moeder en Non van Wheel zijn niet mee gekomen, blijkt.
Over Han's eigen familie wordt nauwelijks nog gesproken, in het hele verhaal. Er is crisis in Indië, crisis in Nederland. De familie Van Wheel zit in geldnood, maar wordt op geen enkele manier geholpen. Niet door Han zelf, niet door de neef van zijn vader, niet door zijn latere schoonfamilie. Terwijl zijn Miek toch zo'n lieve, zorgzame vrouw is. Ze maakt er zich geen moment druk om. Dat doet Han de held ook niet. Sterker nog. Hij verloochent zijn familie, door te kiezen voor aanzien en geld. Nee. Het is een jaren dertig verhaal en daarvan heb ik er meer. Maar mooi kan ik dit niet vinden.
Meer over het boek van Fenna Feenstra is te lezen op een pagina van Oude jeugdboeken. Het is, in een oudere druk, ook te bekijken op de website van Het geheugen van Nederland.
20 januari 2016
Iris komt naar Holland
De vader van Iris van der Kley heeft een ongeluk veroorzaakt. Hij is aan de gevolgen overleden, net als zijn vrouw. Ook Erica Rijnekens, een van de passagiers in de andere auto, heeft het niet overleefd. Iris is alleen achtergebleven in Paramaribo. Nog minderjarig. Vader Van der Kley heeft haar arm achtergelaten. Ze moet zo snel mogelijk terug naar Nederland, maar hoe gaat ze dat betalen?
Tjeerd Rijnekens, weduwnaar van Erica, biedt uitkomst. Hij zoekt Iris op en biedt aan, voor Iris de overtocht met de boot te betalen. Hij moet ook terug naar Nederland en als zij in ruil daarvoor voor zijn zoontje Peter wil zorgen, gedurende de reis? Op de boot maakt Iris kennis met Roel. Het is direct meer dan vriendschap. Maar dat is het eigenlijk ook met Tjeerd.
In Nederland gaat ze bij haar tante wonen, maar echt welkom is ze niet. Haar verblijf bij het enige familielid wat ze nog heeft duurt dan ook niet langer dan een paar dagen. Ze vlucht terug naar Tjeerd's moeder, die ze in de haven leerde kennen. Zo komt ze al snel terug bij Tjeerd, om voor Petertje te gaan zorgen. Er komt nog even een zus van Erica voorbij, die ook voor haar neef wil gaan zorgen. Ze blijkt ook verliefd te zijn geweest op Tjeerd. En op de achtergrond is er ook Roel, die met Iris zou willen trouwen, al hebben ze elkaar behalve die veertien dagen op de boot nauwelijks beter leren kennen.
Maar eigenlijk weet je het als lezer al direct, op de tweede pagina. Tjeerd en Iris gaan samen verder. De man die zijn vrouw verloor aan een ongeluk met de dochter van de man die datzelfde ongeluk veroorzaakte. Het is te bizar voor woorden. Maar in boeken kan alles. Chinny Erling is ongetwijfeld Chinny van Erven, die als Arja Peters schreef over de Olijke Tweeling. En onder haar eigen naam meer meisjesboeken bij West Friesland publiceerde.
De Olijke Tweeling, daar bewaar ik goede herinneringen aan. Maar dit is hopeloos sentimenteel en onwerkelijk. Net zoals de omslag van Hans Borrebach, trouwens. Een meisje met een veel te slanke taille en te bloot t shirt, dat uitkijkt over een woeste zee. Als was het een cruise, in plaats van een overtocht naar haar land van herkomst, wat ze eigenlijk niet eens kent.
Tjeerd Rijnekens, weduwnaar van Erica, biedt uitkomst. Hij zoekt Iris op en biedt aan, voor Iris de overtocht met de boot te betalen. Hij moet ook terug naar Nederland en als zij in ruil daarvoor voor zijn zoontje Peter wil zorgen, gedurende de reis? Op de boot maakt Iris kennis met Roel. Het is direct meer dan vriendschap. Maar dat is het eigenlijk ook met Tjeerd.
In Nederland gaat ze bij haar tante wonen, maar echt welkom is ze niet. Haar verblijf bij het enige familielid wat ze nog heeft duurt dan ook niet langer dan een paar dagen. Ze vlucht terug naar Tjeerd's moeder, die ze in de haven leerde kennen. Zo komt ze al snel terug bij Tjeerd, om voor Petertje te gaan zorgen. Er komt nog even een zus van Erica voorbij, die ook voor haar neef wil gaan zorgen. Ze blijkt ook verliefd te zijn geweest op Tjeerd. En op de achtergrond is er ook Roel, die met Iris zou willen trouwen, al hebben ze elkaar behalve die veertien dagen op de boot nauwelijks beter leren kennen.
Maar eigenlijk weet je het als lezer al direct, op de tweede pagina. Tjeerd en Iris gaan samen verder. De man die zijn vrouw verloor aan een ongeluk met de dochter van de man die datzelfde ongeluk veroorzaakte. Het is te bizar voor woorden. Maar in boeken kan alles. Chinny Erling is ongetwijfeld Chinny van Erven, die als Arja Peters schreef over de Olijke Tweeling. En onder haar eigen naam meer meisjesboeken bij West Friesland publiceerde.
De Olijke Tweeling, daar bewaar ik goede herinneringen aan. Maar dit is hopeloos sentimenteel en onwerkelijk. Net zoals de omslag van Hans Borrebach, trouwens. Een meisje met een veel te slanke taille en te bloot t shirt, dat uitkijkt over een woeste zee. Als was het een cruise, in plaats van een overtocht naar haar land van herkomst, wat ze eigenlijk niet eens kent.
10 januari 2016
Kwikzilver
Als je zoo'n luchtig, lenig verhaal van Cissy van Marxveldt begint te lezen,
is je eerste gedachte: m'n hemel, wat een oppervlakkig, frivool gedaas in
de ruimte. Zo begint een bijna negentig jaar oude recensie van Kwikzilver in Het Kind, een tijdschrift uit 1927. Het was, anno december 2015, ook precies wat ik dacht toen ik er aan begon. En die gedachte blijft je
bij terwijl je, geamuseerd en meegenomen door de intrique, aan één stuk dit
boek uitleest: wat een hol gebabbel en wat een zouteloos gedoe. En toch ...
De tweede indruk is: knap geschreven. Staat even verderop gelezen. Dat was ook exact wat ik dacht. Maar op een andere manier, dan dat het destijds werd bedoeld. Ik vind het vooral heel knap, dat je een boek zoveel decennia later nog altijd goed uit kunt lezen.
Dertig jaar later verscheen de tweede druk. Zoals steeds: tintelend van leven, maar vooral in het eerste gedeelte wel wat erg mondain en oppervlakkig, aldus het tijdschrift Idil, in 1956. Bij de zoveelste herdruk, een aantal wordt niet meer genoemd, uit 1970 is het geworden tot: Deze meisjesroman met ouderwetse toestanden, getypeerd door volmaakt huispersoneel zonder hartelijke gevoelens, gewilde humor en zich onnozel gedragende volwassenen die heel gemakkelijk van een wuft, leeg leven overstappen naar heldhaftig dragen van moeilijkheden kan men niet meer au serieux nemen.
Inmiddels zijn we weer ruim veertig jaar verder. Inmiddels kun je geen enkele meisjesroman meer 'au serieux' nemen. Ook niet de verhalen die toen nog als zeer leesbaar werden gezien. Maar Cissy van Marxveldt was destijds natuurlijk ook al ouderwets. En misschien wel te vaak herdrukt. Dit verhaal over Babs van Reede, die een kantoorbaantje aanneemt als haar man zijn zaak moet verkopen en ziek wordt, doet inderdaad erg onrealistisch aan. Ik heb veel meisjesboeken waarin verwende dochters naar voren komen. Die eindigen doorgaans als echtgenote van een man zonder zorgen. En als er al wel zorgen zijn, dan weten ze écht aan te pakken en dan gaat het nog wel eens fout, ook. Daar leren ze van.
In Kwikzilver gaat zelden wat fout. Babs blijkt heel goed te kunnen aanpakken, terwijl ze dat nooit hoefde te doen. Haar rijke vriendinnen laten haar niet in de steek, terwijl het heel normaal was geweest, als dat wel was gebeurd. Het gebeurt in al die andere, soortgelijke verhalen namelijk wel. Babs komt ook nooit echt tot inkeer. En het eindigt bovendien met een mooie nieuwe toekomst in het dan nog ideale Indië, dat in de herdruk Indonesië blijkt te heten, terwijl het zich toch nog voor de Tweede Wereldoorlog afspeelt. Een rijke toekomst, waar weer nieuwe bedienden zullen zijn. Want eigenlijk kun je ook niet zo goed zonder, als welgesteld echtpaar.
Babs lijkt op Marijke. En op Joop. En op Judith. En op nog wel meer vrouwelijke hoofdpersonen, die Cissy van Marxveldt opvoerde in de boeken die ze schreef. Want ook deze Babs is vlot, windt alles en iedereen om haar vinger, is goede maatjes met dienstbodes en kindermeisjes, maar tegelijkertijd een meisje van stand. Zoals ik ze al veel meer gelezen heb.
Het is zoals zo vaak. Een schrijfster breekt door, haar boek wordt een succes en vervolgens worden alle volgende boeken in dezelfde stijl geschreven, omdat ze zo succesvol zijn. Leuk, om die drie recensies achter elkaar te zien staan. De inhoud van het boek bleef hetzelfde, de tijd verstreek. Kwikzilver werd in 1993 nog door Westfriesland in een dubbelroman opgenomen, samen met Het nieuwe begin, ook van Van Marxveldt, onder de titel Malligheid. De eerste druk verscheen in 1926. Dat is dus best bjizonder, dat een boek zo lang mee kon. Al zal het dan op het laatst vooral uit nostalgie zijn geweest, dat het nog werd gelezen. Maar ach, dat is zo'n beetje alles, wat ik hier bespreek. Nostalgie.
Dertig jaar later verscheen de tweede druk. Zoals steeds: tintelend van leven, maar vooral in het eerste gedeelte wel wat erg mondain en oppervlakkig, aldus het tijdschrift Idil, in 1956. Bij de zoveelste herdruk, een aantal wordt niet meer genoemd, uit 1970 is het geworden tot: Deze meisjesroman met ouderwetse toestanden, getypeerd door volmaakt huispersoneel zonder hartelijke gevoelens, gewilde humor en zich onnozel gedragende volwassenen die heel gemakkelijk van een wuft, leeg leven overstappen naar heldhaftig dragen van moeilijkheden kan men niet meer au serieux nemen.
Inmiddels zijn we weer ruim veertig jaar verder. Inmiddels kun je geen enkele meisjesroman meer 'au serieux' nemen. Ook niet de verhalen die toen nog als zeer leesbaar werden gezien. Maar Cissy van Marxveldt was destijds natuurlijk ook al ouderwets. En misschien wel te vaak herdrukt. Dit verhaal over Babs van Reede, die een kantoorbaantje aanneemt als haar man zijn zaak moet verkopen en ziek wordt, doet inderdaad erg onrealistisch aan. Ik heb veel meisjesboeken waarin verwende dochters naar voren komen. Die eindigen doorgaans als echtgenote van een man zonder zorgen. En als er al wel zorgen zijn, dan weten ze écht aan te pakken en dan gaat het nog wel eens fout, ook. Daar leren ze van.In Kwikzilver gaat zelden wat fout. Babs blijkt heel goed te kunnen aanpakken, terwijl ze dat nooit hoefde te doen. Haar rijke vriendinnen laten haar niet in de steek, terwijl het heel normaal was geweest, als dat wel was gebeurd. Het gebeurt in al die andere, soortgelijke verhalen namelijk wel. Babs komt ook nooit echt tot inkeer. En het eindigt bovendien met een mooie nieuwe toekomst in het dan nog ideale Indië, dat in de herdruk Indonesië blijkt te heten, terwijl het zich toch nog voor de Tweede Wereldoorlog afspeelt. Een rijke toekomst, waar weer nieuwe bedienden zullen zijn. Want eigenlijk kun je ook niet zo goed zonder, als welgesteld echtpaar.
Babs lijkt op Marijke. En op Joop. En op Judith. En op nog wel meer vrouwelijke hoofdpersonen, die Cissy van Marxveldt opvoerde in de boeken die ze schreef. Want ook deze Babs is vlot, windt alles en iedereen om haar vinger, is goede maatjes met dienstbodes en kindermeisjes, maar tegelijkertijd een meisje van stand. Zoals ik ze al veel meer gelezen heb.
Het is zoals zo vaak. Een schrijfster breekt door, haar boek wordt een succes en vervolgens worden alle volgende boeken in dezelfde stijl geschreven, omdat ze zo succesvol zijn. Leuk, om die drie recensies achter elkaar te zien staan. De inhoud van het boek bleef hetzelfde, de tijd verstreek. Kwikzilver werd in 1993 nog door Westfriesland in een dubbelroman opgenomen, samen met Het nieuwe begin, ook van Van Marxveldt, onder de titel Malligheid. De eerste druk verscheen in 1926. Dat is dus best bjizonder, dat een boek zo lang mee kon. Al zal het dan op het laatst vooral uit nostalgie zijn geweest, dat het nog werd gelezen. Maar ach, dat is zo'n beetje alles, wat ik hier bespreek. Nostalgie.
29 december 2015
De toekomst tegemoet
Mijn verzameling is inmiddels al meer dan twintig jaar oud. Tussen 1995 en nu heb ik heel wat boeken aangeschaft, gelezen, weggegooid als ze bij nader inzien toch niet zo leuk bleken en vervangen voor exemplaren van betere kwaliteit. Veel van wat ik vind is inmiddels al gewoon geworden. Dat lees ik, schrijf ik in en berg ik op. Zo af en toe gebeurt het nog, dat ik iets speciaals vind. Zo'n boek waarbij ik met een lineaal en potlood in de bank plof en de ene na de andere zin aanstreep. Omdat het de tijd zo goed weergeeft.
De toekomst tegemoet vond ik gisteren, in een kringloopwinkel in Ede. Het lijkt een meisjesboek, maar dat is het niet. Althans, niet letterlijk. Geen verhaal van een jongedame die haar ideale heer tegenkomt. Wel een blik op de toekomst voor meisjes, anno 1957. De tweede druk. Nadat de eerste in 1940 verscheen werd het oorlog. En na de bevrijding was het chaos in scholenland, zodat pas twaalf jaar daarna een nieuw, degelijk naslagwerk kon worden uitgegeven. Het is een schitterend tijdsbeeld. Ik heb wat aan zitten strepen, intussen.
Want, zo staat al in de inleiding, van alle 100 meisjes zijn er 70 vóór hun vijfentwintigste getrouwd en daarmee voor de rest van hun leven huisvrouw of moeder. Vandaar dat het boek hoofdzakelijk daar over gaat. Een opleiding voor een meisje, het mag dan vanzelfsprekender zijn dan rond 1900, ideaal is het nog altijd niet. Het is onbegrijpelijk, dat zo veel meisjes tegenwoordig nog steeds veel meer werk maken van hun baantje, dan van hun taak en roeping als huisvrouw. Meisjes mogen bést naar het gymnasium of naar de HBS, zo staat er. Alleen in de praktijk blijkt, dat ze die toch nauwelijks afmaken. En als ze die al afmaken, kiezen ze voor een beroep waarvoor ze dat helemaal niet nodig hadden.
Het eerste gedeelte is een algemene beschouwing. Daar staat iets in over toekomstmogelijkheden voor meisjes, waarvan bij moeder thuis in de leer dus de meest ideale is, Iets over psychologisch onderzoek en iets over psychotechniek. Het tweede gedeelte heet Over ideële beroepen en opleidingen daartoe. Verpleegster, vroedvrouw, allerlei opleidingen voor in de huishouding, opleidingen kinderverzorging en opvoeding. Het zijn, kortom, de beroepen waar het meisje nog iets aan heeft, als ze later trouwt.
Het derde gedeelte zijn de toekomstmogelijkheden waar het meisje eigenlijk niets aan heeft, voor later. Het begint met de veelzeggende paragraaf Diploma!! En wat nu?, waarin het meisje beschreven wordt, dat eigenlijk geen idee heeft wat ze worden wil. En dan volgen, naast middelbare schoolopleidingen, de studies voor beroepen als journaliste, drogiste, tolk-vertaler en stewardess. Er is een groot hoofdstuk gewijd aan banen op kantoor. Waarin de schrijfster het niet kan nalaten, te melden, dat baantjes op kantoor vaak tegenvallen. Hoe veel brieven ze daar al wel niet over gehad heeft! Een dergelijk bezwaar maakt ze verder bij geen enkel beroep. Verpleegster of kinderverzorgster is iets wat je kunt of niet, je kunt altijd nog iets anders worden dan dat. Maar iets op kantoor...! Want wat heb je aan steno of boekhouden, als je eenmaal getrouwd of moeder bent?
Het eindigt met een vierde gedeelte. De adressen van de instanties voor allerlei opleidingen en testbureaus. Behalve geografisch ook onderverdeeld in Rooms-Katholieke, protestants christelijke en neutrale instellingen. Ja, het waren de jaren vijftig. Over die dertig vrouwen die voor hun vijfentwintigste niét getrouwd zijn, geen woord. Of over de vrouwen die, noodgedwongen, een baan moeten zoeken als ze getrouwd en moeder zijn, omdat het financieel niet anders gaat. Iets wat ik in veel meisjesboeken al heb gelezen, maar het komt niet terug. Het is geen wonder dat zo'n tien jaar later de feministen begonnen te protesteren en dat ze er alle andere vrouwen in mee kregen. Dat er dingen bij wet werden geregeld. Want vrouwen en meisjes kunnen en willen heus nog wel wat anders dan huisvrouw en moeder zijn.
De toekomst tegemoet is behalve een fantastisch tijdsbeeld ook nog een heel geschikt naslagwerk, om te gebruiken bij het lezen van oude meisjesboeken. Alles over de toekomst na de lagere school staat er in. Toen was het voor de lezers vanzelfsprekend, bijna zestig jaar later, was het voor mij soms nog wel even puzzelen.Ik ben een stuk wijzer geworden. En alweer dankbaar, dat ik nu geboren ben, en niet in de jaren veertig.
De toekomst tegemoet vond ik gisteren, in een kringloopwinkel in Ede. Het lijkt een meisjesboek, maar dat is het niet. Althans, niet letterlijk. Geen verhaal van een jongedame die haar ideale heer tegenkomt. Wel een blik op de toekomst voor meisjes, anno 1957. De tweede druk. Nadat de eerste in 1940 verscheen werd het oorlog. En na de bevrijding was het chaos in scholenland, zodat pas twaalf jaar daarna een nieuw, degelijk naslagwerk kon worden uitgegeven. Het is een schitterend tijdsbeeld. Ik heb wat aan zitten strepen, intussen.
Want, zo staat al in de inleiding, van alle 100 meisjes zijn er 70 vóór hun vijfentwintigste getrouwd en daarmee voor de rest van hun leven huisvrouw of moeder. Vandaar dat het boek hoofdzakelijk daar over gaat. Een opleiding voor een meisje, het mag dan vanzelfsprekender zijn dan rond 1900, ideaal is het nog altijd niet. Het is onbegrijpelijk, dat zo veel meisjes tegenwoordig nog steeds veel meer werk maken van hun baantje, dan van hun taak en roeping als huisvrouw. Meisjes mogen bést naar het gymnasium of naar de HBS, zo staat er. Alleen in de praktijk blijkt, dat ze die toch nauwelijks afmaken. En als ze die al afmaken, kiezen ze voor een beroep waarvoor ze dat helemaal niet nodig hadden.
Het eerste gedeelte is een algemene beschouwing. Daar staat iets in over toekomstmogelijkheden voor meisjes, waarvan bij moeder thuis in de leer dus de meest ideale is, Iets over psychologisch onderzoek en iets over psychotechniek. Het tweede gedeelte heet Over ideële beroepen en opleidingen daartoe. Verpleegster, vroedvrouw, allerlei opleidingen voor in de huishouding, opleidingen kinderverzorging en opvoeding. Het zijn, kortom, de beroepen waar het meisje nog iets aan heeft, als ze later trouwt.
Het derde gedeelte zijn de toekomstmogelijkheden waar het meisje eigenlijk niets aan heeft, voor later. Het begint met de veelzeggende paragraaf Diploma!! En wat nu?, waarin het meisje beschreven wordt, dat eigenlijk geen idee heeft wat ze worden wil. En dan volgen, naast middelbare schoolopleidingen, de studies voor beroepen als journaliste, drogiste, tolk-vertaler en stewardess. Er is een groot hoofdstuk gewijd aan banen op kantoor. Waarin de schrijfster het niet kan nalaten, te melden, dat baantjes op kantoor vaak tegenvallen. Hoe veel brieven ze daar al wel niet over gehad heeft! Een dergelijk bezwaar maakt ze verder bij geen enkel beroep. Verpleegster of kinderverzorgster is iets wat je kunt of niet, je kunt altijd nog iets anders worden dan dat. Maar iets op kantoor...! Want wat heb je aan steno of boekhouden, als je eenmaal getrouwd of moeder bent?
Het eindigt met een vierde gedeelte. De adressen van de instanties voor allerlei opleidingen en testbureaus. Behalve geografisch ook onderverdeeld in Rooms-Katholieke, protestants christelijke en neutrale instellingen. Ja, het waren de jaren vijftig. Over die dertig vrouwen die voor hun vijfentwintigste niét getrouwd zijn, geen woord. Of over de vrouwen die, noodgedwongen, een baan moeten zoeken als ze getrouwd en moeder zijn, omdat het financieel niet anders gaat. Iets wat ik in veel meisjesboeken al heb gelezen, maar het komt niet terug. Het is geen wonder dat zo'n tien jaar later de feministen begonnen te protesteren en dat ze er alle andere vrouwen in mee kregen. Dat er dingen bij wet werden geregeld. Want vrouwen en meisjes kunnen en willen heus nog wel wat anders dan huisvrouw en moeder zijn.
De toekomst tegemoet is behalve een fantastisch tijdsbeeld ook nog een heel geschikt naslagwerk, om te gebruiken bij het lezen van oude meisjesboeken. Alles over de toekomst na de lagere school staat er in. Toen was het voor de lezers vanzelfsprekend, bijna zestig jaar later, was het voor mij soms nog wel even puzzelen.Ik ben een stuk wijzer geworden. En alweer dankbaar, dat ik nu geboren ben, en niet in de jaren veertig.
14 december 2015
'n Bruid uit eigen land
De titel van het eerste deel uit de 1962 serie Zonne-reeks boeken klinkt veelbelovend. Het omslag ook. De korte samenvatting op het omslag mag er eveneens wezen.
Pit Vidal, die altijd zo vol zorgen voor anderen is geweest staat plots eenzaam in het leven, waarin de liefde aan haar voorbij lijkt te zijn gegaan. Haar ouderloos geworden neefje Jeroen, wiens opvoeding Pit op zich neemt, vult die eenzaamheid tot het ogenblik dat hij als volwassenen man nar Amerika trekt. Maar ook dan kan tante Pit het niet nalaten voor hem te blijven zorgen en ijverig zoekt ze naar " ' n Bruid uit eigen land " voor de jongeman... Gelukkig is er dan echter ook een man in Pits hart gekomen en begrijpt ze, dar het in liefdeszaken moeilijk valt te raden... Een boeiend en prachtig boek van deze bekende schrijfster.
Het is vooral een langdradig boek, wat pas halverwege de moeite waard wordt. Pip verliest als kind broertje Ewout. Daarna wordt ze met zus Annet verliefd op dezelfde man. Steven kiest Annet. Ze emigreren naar Indië, waar Jeroen geboren wordt. Het wordt oorlog, vader Vidal overlijdt, moeder wordt dement, Annet en Steven komen om in een kamp en zij krijgt de zorg voor Jeroen.
Pit hoeft niet te werken voor haar geld, lijdt met dienstbode, tuinman en dokter plus apotheker op afstand een kluizenaarsbestaan. Moeder overlijdt. Zij kloekt over Jeroen. Pas als die het huis uit is, komt ze, als lerares Engels aan huis, wat onder de mensen. Maar wat hangt alles van toevalligheden aan elkaar.
Haar meisje op kamers werkt in de apotheek en blijkt het vriendinnetje van Jeroen in Amerika. Ze kennen elkaar nog uit de kamptijd. Jeroens moeder kent Annet. Pit's liefde Xander is een oud klasgenoot van Annet en zijn dochter Fried is weer een leerling Engels.
Fried leert een violist kennen die weer de zoon is van een zangeres waar vader Xander van gehouden heeft. Pit krijgt een huwelijksaanzoek van de oude dokter, maar is ook al jaren de stille liefde van de apotheker, die dus op zijn beurt weer het meisje van Jeroen in dienst heeft. En uiteindelijk emigreert het allemaal naar Amerika, zo ongeveer.
Enfin. Verwarrend, te toevallig en langdradig. Zonder tekeningen, met omslag van Hans Borrebach.
Abonneren op:
Posts (Atom)


