11 december 2017

Omroep in Nederland : vijfenzeventig jaar medium en maatschappij

Een dik, rijk geïllustreerd boek is het, aldus de recensie. Aantrekkelijk om door te bladeren. Een feest van herkenning. Lovende woorden voor een, inderdaad, erg leuk boek. Voor mij persoonlijk verscheen het nog precies op het juiste moment, ook.

In 1995 was ik bezig met een scriptie over 'de mogelijke commercialisering van de publieke omroep'. RTL4 was op dat moment nog maar de enige commerciële zender in Nederland, maar er waren meer belangstellenden. Wat zou dat doen met het karakter van de al zo lang bestaande omroepverenigingen als KRO, VARA en AVRO? Van elke omroep moest ik dus iets van de achtergrond weten. En zie daar... een vers boek over de omroepgeschiedenis te leen in de bieb.

Later kocht ik het boek ook nog zelf, bij de Slegte. Nu niet meer om als naslagwerk te raadplegen, maar gewoon om door te bladeren. En ja, het is niet alleen een goed boek, het is inderdaad ook nog leuk om te lezen.

Vroeger wilde ik journalist worden. Maar toen ik werd uitgeloot voor de Academie voor Journalistiek en Voorlichting, zoals dat toen nog heette, had ik geen zin meer om me een jaar later opnieuw aan te melden. Ik kon immers nog heel gemakkelijk opnieuw worden uitgeloot. Het werd de bibliotheekopleiding. In Tilburg, omdat je daar destijds de specialisatie Audiovisuele Media had. Daarmee kon ik toch nog een beetje journalist worden.Documentalist bij de omroep of zo. Redactiewerk voor een radio of televisieprogramma.

Dat was toen. Inmiddels bestaat de omroep bijna 100 jaar. Ik haalde een mooie 8 voor de scriptie, studeerde ook inderdaad af op Audiovisuele Media, maar daar bleef het bij. Want in Hilversum gaan werken en wonen, dat was niets voor mij. En daarbij werd het werk ook steeds vaker door computers overgenomen. Waren het banen op vrijwillige basis. Of een projectaanstelling, die niet langer duurde dan hooguit een jaar.

Wat gebleven is, na de jaren negentig, is mijn belangstelling voor boeken die over de omroep gaan. Ik heb er een flinke plank van vol, inmiddels. En bijna allemaal ook even leuk om te lezen als dit exemplaar. Wordt vervolgd dus.

30 november 2017

Geen maakwerk in de IDIL

Verzuiling. Ik leerde er voor het eerst over met geschiedenis, toen ik vijftien was. Verzuild Nederland. Iedereen in eigen groep. De verdeling in Rooms katholiek, protestant, arbeider en liberaal. Ze hadden allemaal hun eigen omroepvereniging, eigen scholen, eigen verenigingen, eigen organisaties. Wie katholiek was luisterde naar de KRO en ging naar de katholieke leeszaal. Dat daar de door IDIL aanbevolen boeken stonden, leerde ik pas later.

IDIL, een afkorting van Informatie Dienst Inzake Lectuur , was een rooms-katholieke recensiedienst, die de boekenwet van het Vaticaan volgde. Boeken kregen er cijfers, variërend van I (verboden) tot V (voor allen). Er stonden ook interviews in, met bekende auteurs uit die tijd, onder de titel: Mogen wij u voorstellen. Zo werden de rooms-katholieke lezers en lezeressen ook bijgepraat over Max de Lange-Praamsma. Ik vond het interview in PDF via de website Achter de rug. Goede site trouwens, maar dat terzijde. 

Dat Max de Lange overtuigd protestant was, maakte kennelijk niet uit. Waar het IDIL om ging, is dat ze zo'n hartelijke, warme vrouw was, die het geloof uitdroeg. Op een andere manier dan de katholieken, maar de principes waren toch dezelfde. En niet alleen voor wat betreft het geloof. De schrijfster wond er geen doekjes om. 

Ze hoefde niet van de pen te leven. Ze was in de eerste plaats huisvrouw en moeder en pas daarna schrijfster. Dat ze toch al een respectabel rijtje boeken op haar naam had staan, zag ze als een roeping. En als een manier om toch naar buiten te treden voor de jeugd, ondanks dat drukke gezin. Ze was, zoals ze zelf zei, vuur-bang voor maakwerk. Boeken moesten in haar groeien en op verzoeken wilde ze, zo lang als ze kon, nee blijven kunnen zeggen. Ja, ze maakte aantekeningen voor een boek over het jongste zusje van Els. Maar nee, er kwam nog geen zesde deel voor Goud-Elsje.

De schrijfster blijkt te hebben gepraat zoals ze schreef. In mooie, weloverdachte zinnen vol beeldspraak. Maakwerk. Iets waar Leni Saris wel last van kreeg. En Helen Taselaar. Netty Koen-Conrad is er ook nooit bang voor geweest. Misschien moesten zij wél van de pen leven. Zeiden ze daarom ja op 'verzoeken'. Het maakte hun verhalen er in elk geval niet beter op. Maar ook met de latere verhalen van Max de Lange-Praamsma kreeg ik moeite. Die werden, door al die beeldspraak, moeilijk te lezen. 

Riet Berkhout werd uiteindelijk tóch het zesde deel van Goud-Elsje. De schrijfster zou er later in een interview over zeggen, dat ze het zelf nooit zo bedoeld had. Dat het een suggestie was van de uitgever, om het toch in de reeks op te nemen. Er zou ook nog een deel zeven tot en met tien komen. De twee delen over vriendin Lotty had Max misschien ook anders bedoeld. Het laatste afsluitende deel gaat weer wel over Els. Dat klinkt achteraf wel als op verzoek.

Misschien is de moeder-en-dan-pas schrijfster op dat punt toch van haar geloof gevallen. We kunnen het haar al lang niet meer vragen. Maar dat maakt ook niet uit. Zeker de boeken uit die tijd blijven de moeite waard. Met zo'n interview er bij heb je toch weer een completer beeld van de vrouw er achter. Inclusief oude foto.

14 november 2017

Bedrijf in beweging : Een terugblik in de tijd : Zuid-Ooster 1949-1994

Zuidooster, aanvankelijk gespeld als Zuid-Ooster, was de naam van de busmaatschappij uit Zuid-Gelderland en het noordoostelijke deel van Noord-Brabant. Zeg maar alles op de lijn Nijmegen-Eindhoven. Het boek gaat over de jaren van de gele streekbussen op diesel, die ik me nog zo goed herinner. Maar ook de jaren daar nog vóór. De tijd van de meisjesboeken. Waarin op elke bus nog een conductrice zat en de strippenkaart nog niet bestond. Toen mensen voor het eerst verder weg op vakantie gingen en dat, uit geldgebrek, het liefst vertrouwd per bus deden.

Het boek verhaalt over de tijd dat steeds meer Nederlanders zich een auto konden gaan veroorloven en de bus vaarwel zeiden. Wij hadden thuis nog geen auto, toen. Ik reisde in de jaren zeventig nog steeds per bus met mijn ouders en zusje. We waren een uitzondering. Leuk of spannend was het toen al lang niet meer. Het was een wereldreis, zeker zo op zondag. Reistijden van drie kwartier met de auto werden met een bus al gauw anderhalf uur. Want je moest naar de bushalte lopen, op de bus wachten. De bus reed om en de halte, waar je uit moest stappen, was ook nooit voor de deur van het gewenste adres.

In de jaren tachtig kregen we thuis ook een auto. Daarmee kon de bus vaarwel worden gezegd. Tijdelijk, want ik werd student met een OV jaarkaart en toen moest ik toch weer met de Zuidooster van en naar Nijmegen. De bussen werden nieuwer, er kwamen sneldiensten bij. Dat waren de bussen die je eerder daar brachten waar je ongeveer wilde zijn. Maar die je weer verder lieten lopen, omdat ze minder haltes hadden. Er kwamen zelfs interliners. Nog sneller, nog comfortabler, maar nog verder lopen. En dat viel niet altijd mee, met een weekendtas.

Het openbaar vervoer brengt je vanaf een plaats waar je niet woont, via plaatsen waar je niet hoeft te zijn, naar een eindbestemming waar je ongeveer moet zijn. 

Zo vatte een vriend in de jaren negentig voor mij het reizen samen en zeker wat de bus betreft klopte dat. Het was altijd lopen, wachten, omrijden en weer lopen.

In 1995 fuseerde de Zuidooster met het Limburgse VSL tot Hermes. Daar eindigt ook dit boek. Zelf zou ik nog meer dan tien jaar met de bus blijven reizen. Niet alleen meer met Hermes. Ik ging stage lopen in Arnhem en Den Haag en was in Tilburg gaan wonen. Respectievelijk GVM, HTM en BBA. Dat staat hier dan allemaal niet in, maar het kwam op hetzelfde neer.

Inmiddels heb ik zelf al lang een auto. Een vervoermiddel wat me vanaf de plaats waar ik woon rechtstreeks naar en precies tot mijn eindbestemming brengt. Dat kan de bus, die al een poosje geen Hermes meer heet maar Breng, nog steeds niet zeggen. Breng, ja. Ik heb het zelf niet bedacht. Alsof er ook een bus terug is. Die heet dan Haal. Maar zo gek zijn ze dan nog net niet geweest.

Hoe dan ook, dit Zuidooster boek is leuke nostalgie. Om plaatjes te kijken en om door te lezen. Het was nog een Marktplaats vondst ook. Eentje dicht bij huis, zodat ik me de verzendkosten kon besparen, door het zelf op te halen. En helemaal niet duur, bovendien. Wordt beslist vervolgd, dat Marktplaats. 

06 november 2017

Zeg jij 't maar, Marjolein

Een paar weken geleden plofte een brief in de brievenbus van Freddy Hagers, de gevierde schrijfster van de Marjoleinserie, zo begint de achterflaptekst van de pocketeditie. Het was een brief van onze Marjolein, Marjoleintje van het pleintje, zoals ze vroeger heette, toen ze nog niet getrouwd was met Bert Brouwer, de jonge dokter, die in Parijs zijn studie voltooit en waar het jonge gezinnetje zich voorlopig heeft gevestigd.

Daarmee is het dertiende en ècht laatste deel van de Marjolein-serie inderdaad samengevat. In deel twaalf trouwde ze al met haar Bert en dat vormde eigenlijk al het slot van de reeks. Of het deze keer ook de uitgever, Kluitman, is geweest, die de schrijver heeft overgehaald om toch nog een deel aan de serie toe te voegen? Omdat de lezeressen er om vroegen?

Schrijver ja, want Freddy Hagers was het pseudoniem van Guus Betlem, voluit Frederik August Betlem, die zichzelf in dit boek Frederika Anita Hagers noemt. De voornamen zijn redelijk identiek gebleven. Of hij getrouwd was, een huishoudster had en een zoon, dat weet ik niet. Wat ik wel weet, is dat het vreemd is om te lezen, dat de schrijver doet of hij een vrouw is, voorzien van een man die niet voor zichzelf kan zorgen en een zoon, die dat al net zo min kan. En dat hij / zij van Marjolein dit keer een echt iemand heeft gemaakt. 

Marjolein Brouwer-Bronkhorst is verzonnen, Freddy Hagers ook. Guus Betlem maakte van zichzelf in een verhaal vaker een commentator, maar dit keer is het wel erg aangezet. Verder spatten de jaren van voorspoed van het papier af. Het moet in het begin van de jaren zestig zijn geweest. Een auto hoeft niet meer af gereden te worden, je mag m ook best geregeld inruilen voor een nieuwe. Bert werkt in een kankercentrum. Ook dat is vooruitgang, het was toen nog een ziekte die niet bestreden kon worden. Maar Bert gaat werken aan de bestrijding, in een nieuw type ziekenhuis. 

En dan is er nog Marjolein's broer Mario, die bij de televisie gaat werken. Want zijn oude werkgever, de radio, dat is geweest. Dat is ouderwets, televisie is de toekomst. En om dat nog eens extra te benadrukken, wordt hij verliefd op een 'scriptgirl'. Een meisje met een baan waar zelfs Marjolein nog nooit van gehoord heeft. 

Ze mag dan wel in Parijs wonen en getrouwd zijn met een dokter, ondertussen is ze toch vooral huisvrouw en moeder. Ja, de Franse hoofdstad is enig, met zijn vele terrasjes, winkels en parken. Ja, ze wonen in een mooie flat. Maar er moet toch vooral schoongemaakt worden. Onderdak worden geboden aan een jong meisje, dat van huis is weggelopen. En gezorgd. Voor haar man Bert en voor haar dochtertje Florence. En o ja, ondertussen is Marjolein ook nog een dagboek gaan schrijven. Dat dagboek, krijgt Freddy Hagers mee naar huis. Om het te gaan lezen. Waarmee de cirkel rond is. 

Een verwarrend, maar toch knap geschreven einde van een serie. Uitgegeven in gebonden en pocketeditie. Ik bezit ze allemaal. Wordt vervolgd dus. Omgekeerd chronologisch, of zo maar van de hak op de tak. Want dat kan ook. Zoals de uitgever het dan zo mooi verwoord: het vormt een deel van de reeks, maar kan ook afzonderlijk worden gelezen. Series zetten aan tot sparen. Vooral Kluitman was er een meester in.

29 oktober 2017

Vroeger is voorbij

Alweer een boek over emigreren.
Maar dit keer vanuit een familie die al geëmigreerd is. De familie Timmermans woont al in Canada. Waar vader en broer Nico, zo lijkt het, vooruit gereisd zijn om alvast werk te vinden en een huis te zoeken. Daarin blijken ze geslaagd, nu is ook de rest van de familie overgekomen.

Moeder wordt de stereotype huisvrouw, die het niet direct nodig vindt om Engels te leren en zich uitsluitend inlaat met bekenden die ook uit Nederland komen. De kinderen hameren vooral om een nieuwe, Engelse naam. Nico wordt Nick, Eva Eve en Hanneke Joan. Zo gaat de schrijfster ze na verloop van tijd ook zelf aanduiden. 

Nico / Nick heeft een verloofde in Nederland, Marian. Ze komt hem over een jaar achterna, als ze twintig is. Pas dan mag ze van haar ouders het land uit. Niet eerder. In de tussentijd schrijven ze elkaar, maar het kost Nico steeds meer moeite haar trouw te blijven. Hij troost zich met collega Jeanet. Die relatie strandt. Marian staat er toch nog steeds tussen. Maar als ze eenmaal over is uit Nederland blijken ze niet meer bij elkaar te passen. Nico beëindigt hun relatie. Hij troost zich opnieuw met een ander. Dit keer is het Sharon, die ook Nederlands is en eigenlijk Sjaan heet. Maar dan treft hij Marian weer, die nog altijd in Canada woont en breekt hij ook met Sharon. Om met Marion te kunnen trouwen.

Eva / Eve kan zich moeilijker aanpassen. Ze heeft heimwee en slaagt ook niet echt in het vinden van geschikt werk. De overtocht van haar vriendin Marijke gaat niet door. Als vader en moeder Timmermans haar aanbieden om terug naar Nederland te gaan, om te kijken of ze daar misschien beter zou kunnen aarden, is de man in haar leven gekomen. En uiteraard hoeft ze nu niet meer zo nodig naar haar oude vaderland. 

Hanneke / Joan is de wervelvind. Ze past zich uitstekend aan op school, wordt al snel bevorderd naar een hogere klas en sluit ook verbazend snel vriendschappen. Het lijkt wel of ze nooit in Nederland heeft gewoond, zo snel is ze vertrouwd met de zo andere feestjes daar. Dat begint al als ze naar school gaat. Daar wil ze niet met haar schooltas naar toe, maar met een looseleaf binder. Een soort ordner met een rits, waar dan weer geen boeken bij in passen. Want iedereen heeft zo'n ding en de boeken stapel je er wel boven op. Handig is het niet, maar ze krijgt 'm wel, dat typisch Canadese ding.

Dat is de teneur van het hele boek. Het begint op de flaptekst al. Om te kunnen wennen aan een ander land zul je het Hollandse theemeubel achter je moeten laten. En nog veel meer uit je duffe vaderland. Je voertaal wordt Engels, ook thuis. Je haar zit voortaan Amerikaans, de kerstversiering wordt kakelbont. Als vader schaf je je een tweedehands Chevrolet aan en eten halen in één van de Chinese wijken wordt al snel normaal. Emigreren is vooral: niet meer omkijken en niet piepen. 

Gezien de spelling van de achternaam, Vanderzee in plaats van Van der Zee, zou de schrijfster zelf ook best eens wel eens geëmigreerd kunnen zijn. Ze schreef er nog een ander verhaal over, dat West-Friesland eveneens uitgaf. In dezelfde strekking. Dat heet, overduidelijk: Emigreren is voorgoed. 

23 oktober 2017

Voorspel

Schrijfster Miep Schröder-van Goch was de echtgenote van een Neerlandicus en historicus. Ze komt voor op foto's met Godfried Bomans. Haar dochter kreeg later een goede positie binnen de PvdA. Een nogal intellectueel milieu dus, en dat is aan dit boek goed te merken. De ondertitel van Voorspel luidt eenvoudig meisjesroman, maar daarvoor vind ik het te ingewikkeld. Er zijn er veel hoofdpersonen en daarbij wisselt ook het vertelperspectief nogal eens.

Het verhaal gaat over de drie dochters Jenner. Eva, die op de kweekschool zit, Marian, de gymnasiaste en Guusje, die pianiste wil worden. Vader Guustaaf runt met zijn broer een winkel in muziekinstrumenten. Ze verkopen er ook bladmuziek en hebben een reparatie afdeling. Moeder Margreet doet het huishouden. Dan is er nog de jongere oom Reinier, die pianoleraar is. En dat heeft allemaal wel eens de hoofdrol, terwijl de schrijfster ook nog als verteller optreedt. Bovendien zijn er ook enkele hoofdstukken 'uit het dagboek van'. Veel te lange beschrijvingen, die een meisje nooit zo zou formuleren. 

We lezen over Eva, die verkering krijgt met Bertus Mol. Marian die zich door haar gymnasium heen worstelt. Guusje die lichamelijk niet erg sterk is. Over mevrouw Jenner, die af en toe bij haar voornaam Margreet genoemd wordt. En over meneer Jenner, die afwisselend Vaar en Guustaaf wordt genoemd. Dat wat ze meemaken, is niet altijd logisch beredeneerd.

Waarom is Eva een modepop, die tegelijkertijd op de kweekschool zit? Ze heeft ook geen nuffige vriendinnen, maar kan Bertus toch niet bij zich houden, om die stadse mentaliteit. Waarom moet Marian zich door dat gymnasium heen worstelen? Van wie? Ze wil toch niet gaan studeren en weet van zichzelf dat ze het niet kan ook. Bovendien heeft Bertus dan al voor háár gekozen. Guusje wordt ziek, moet zelfs geopereerd worden, maar wat mankeert haar precies? Het gaat slecht met de zaak van Jenner, maar hoe slecht, dat wordt verder niet verteld.

Eva is boos op Marian dat ze Bertus heeft gekozen. Toch verlooft ze zich al heel snel met John Renkins. Guusje wordt uiteraard beter, besluit met school te stoppen en maakt dan ineens heel snel Europees carrière. Terwijl er verder helemaal niet gesproken is over optredens of talentenjachten, die ze eerder zou hebben gehad. Ze is jaloers op de vriendin van oom Reinier, maar daarvan komt ze snel terug.

En dan komt er nog een inwonende oma in het verhaal voor. Plus een oom, een tante, twee neven, vriendinnen van de drie zussen. Het eindigt met twee verloofde en een zeer succesvolle zus, die samen besluiten hun leven definitief te gaan beginnen. Nu het voorspel over is. Tja.

De schrijfster had er beter drie voorspellen van kunnen maken. Alle drie de zussen een eigen verhaal. En voor de duidelijkheid vader en moeder aanduiden als meneer en mevrouw. Dat zou het geheel een stuk leesbaarder hebben gemaakt. 

17 oktober 2017

Dansen is plezier voor twee

Het is nog steeds te leen in de bibliotheek, als ik de online catalogus mag geloven. Beschrijving van gezelschapsdansen vroeger en nu, zo luidt de omschrijving, waarbij veel verduidelijk wordt in de rijkelijk aanwezige kleurenfoto's.

Die beschrijving, het klopt helemaal. Eerst leende ik het boek geregeld in de bieb, later vond ik het voor een schappelijke prijs bij de Slegte. Ook al iets wat verleden tijd is. Iets leuks vinden bij de Slegte, nadat je het jaren eerder bij de bieb leende. De Slegte bestaat niet meer. Maar goed, dat is een ander verhaal.

Dansen is plezier voor Twee dus. Ik gebruikte het als naslagwerk om mijn Engelse spreekbeurt mee voor te bereiden, in de vierde van de havo. En later, op de bibliotheekopleiding, had ik het nodig om mijn diaserie mee te maken, als onderdeel van het vak audiovisuele media. Ik heb er heel wat foto's uit nagetekend. Uitvergroot, ingekleurd, kado gedaan of zelf gehouden. Want ik was dol op stijldansen, in die tijd.

Tussen 1987 en 1994 stond ik minimaal eens per week op de vloer, bij dansschool Bilderbeek. Om mijn chachacha nog maar eens uit te voeren of gezellig te kletsen tijdens een quickstep, waarbij mijn ene voet automatisch voor de andere ging. Nog altijd kan ik hele stukken uit het omvangrijke repertoire uit mijn hoofd. En bij al dat dansen hoorde dus een boek. Naderhand vond ik meerdere boeken over hetzelfde onderwerp. Maar zoals deze waren ze niet.

Dit is juist geen droge opsomming van pasjes, met getekende voeten en pijltjes. Geen lange lijst van figuren. Het zijn foto's en tekeningen, met daartussen een goed verhaal. Perfect om een spreekbeurt mee voor te bereiden, inderdaad. Of om te gebruiken als begeleidende tekst bij een diaserie. En natuurlijk, het is jaren tachtig. Zoals het toen op de foto stond, zowel de amateurs als de professionals, zo is het nu al lang niet meer. Maar het blijft wel heel leuk om te zien.

Een boek vol herinneringen. Heel letterlijk. Ik heb kasten vol met boeken, maar deze staat echt op de bovenste plank. Goed zichtbaar. Uitgegeven in samenwerking met de Federatie Dansleraren Organisaties, zo staat er in de catalogus verder. En er zit een literatuuropgave in. Daarmee is het nog een officieel naslagwerk ook. Een officiële organisatie die de verantwoording op zich wil nemen en een lijst met boeken om verder te raadplegen. Zo zijn ze zeker niet allemaal uitgegeven. Ik denk dat ik t maar weer eens ga opzoeken. Wie weet valt er nog wel wat na te tekenen.