20 december 2016

De Wildhof breidt uit

De serie bij elkaar sparen was niet zo moeilijk. Dit deel verscheen in 1990 en ik heb het een paar jaar later gewoon in de boekhandel nog kunnen kopen. Ik was op dat moment al zeker tien jaar te oud voor dat soort boeken, maar wilde De Wildhof zo graag compleet hebben. Al was het dan 'de echte' niet meer.

Precies zo was ik over de Olijke Tweeling gaan denken, toen de verhalen over Ellis en Thelma Bongers niet langer geïllustreerd werden door Hans Borrebach, maar door weet ik veel wie. Zo verging het me ook met De Wildhof. Ik heb de naam van deze illustrator, Lucy de Graaf, op moeten zoeken, omdat ik het me absoluut niet meer kon herinneren. De échte familie van de hondenkennel werd geïllustreerd door Herry Behrens. En die zeven eerste delen heb ik dan ook stuk gelezen. Ik zou, zonder terug te kijken, precies kunnen zeggen wat er gebeurt in welk deel.

Dat heb ik bij dit achtste deel niet meer. Ja, vader en moeder De Wild hebben definitief afscheid genomen van de kennel. Broer Hugo en zijn zus Mandy hebben het overgekocht. En omdat ze financieel niet uitkomen, besluiten voor meer inkomsten een pension er bij te beginnen. Een vreemd besluit. Het was logischer geweest, dat ze meer retrievers waren gaan fokken voor de verkoop, of er een ander ras bij hadden genomen.

De uitbreiding met het pension komt niet veel ter sprake. Er komen twee nieuwe medewerkers, Dafne en Jurriën , die elkaar eerst niet en later juist heel erg goed kunnen uitstaan. Maar verder gaat het toch nog steeds voornamelijk over de familie De Wild . Over Bonnie, die huwelijksproblemen krijgt. Over Elke en Josta, die in dezelfde nacht moeder worden van een zoon. En over Robin, die naam gaat maken als illustrator. Hij mag gaan exposeren in de bibliotheek.

Het is opvallend traditioneel, dit deel. Josta is blij dat ze nog wat te werken heeft zolang de baby er nog niet is. Al is dat op de achtergrond. Elke is fitter en kan dus wel op de kennel werken als dat nodig is. Bonnie wil het liefst haar eigen huishouden gaan doen en Mandy voelt zich schuldig als ze niet op tijd thuis is om voor het eten te zorgen. Terwijl Robin werk aan huis heeft.

Het mocht blijkbaar allemaal nog. En De Wildhof viel nog steeds in de smaak bovendien. Want, anders dan bij Picadero destijds, zou hier nog een deel van verschijnen. Wordt vervolgd dus.

30 november 2016

Dansen is plezier voor zes

Het is er eentje die ik zelf kocht, in het voorjaar van 1986. Van dezelfde boekenbonnen als het verhaal van Michelle, waar ik al eerder over schreef. Dit is er eentje uit de Zonnebloem-reeks, waar ik eigenlijk al wat te oud voor was, op dat moment. Maar ik vond het verhaal zo leuk.

Dansen is plezier voor zes was drie jaar eerder bij Kluitman verschenen, in 1983. De tijd waarin jazzballet een favoriete hobby van veel meisjes was, maar waar tegelijkertijd nauwelijks boeken over werden geschreven. Paardenboeken waren er meer dan genoeg te leen en te koop. Ik las ze ook wel eens, maar had niets met paarden. Met jazzballet dus wel. Dat deed ik zelf ook. En wat is er nou leuker, om daar dan over te lezen?

Het verhaal gaat over Linette, die nieuwe buren krijgt. Linette is een boekenwurm van twaalf, die nooit een echte vriendin heeft gehad. Precies zoals ik toen. Alleen kreeg ik geen nieuw buurmeisje, waarmee ik vriendschap sloot.  Linette wel. Die leert Sandra kennen. Een buurmeisje met een moeder die balletlerares is. Ook aan de andere kant van Linette wonen twee meisjes van haar leeftijd. Bij een er van zit Linette zelfs in de klas, maar tot dan toe waren ze blijkbaar niet bevriend. Aangevuld met nog twee klasgenootjes komt het aantal op zes meisjes, die graag willen leren dansen.

Sandra is de dochter van de balletlerares, die danst zonder moeite. Klasgenootje Carla heeft van zichzelf al veel talent. Maar Mary, Nanneke, Anne en Linette vinden het allemaal reuze moeilijk. Linette vooral. Ze beweegt zich onnatuurlijk en houterig, hoe zeer ze ook haar best doet. Ze is niet zo goed als de anderen, vindt ze zelf. Precies zoals ik mezelf vond, op jazzballet.

De meisjes treden eerst voor hun moeders op, die nog heerlijk traditioneel thuis zijn overdag. Alleen de moeder van Linette werkt, maar dat komt omdat haar vader niet meer leeft. Alle andere moeders hebben tijd om naar hun dochters te komen kijken, weten hoe ze een danskostuum in elkaar moeten zetten en nemen hun dochters mee de stad in om een balletpakje te kopen.

De zes meiden worden vriendinnen, treden op tijdens een schooluitvoering en later nog in een bejaardentehuis. Daar krijgt lerares Steffie te horen, dat ze de revalidatiezaal gerust mag gebruiken, om balletles te geven. Het hoeft niet meer met zijn zessen op de zolder bij Sandra, bij gebrek aan een zaaltje. Het mag een grotere groep worden. Dat is leuk voor heel het dorp.

Linette en Sandra zijn intussen de dikste vriendinnen geworden, maar daar moest nog wel een ruzie met Sandra aan te pas komen. Sandra, die Linette voor houten klaas uitmaakte. Die haar daarmee vreselijk verdriet deed, maar die er ook voor zorgde, dat Steffie de dans voor school aanpaste. De Dans. Met hoofdletters, eigenlijk. Het was allemaal zo vreselijk herkenbaar.

Al had ik dan geen vriendin als buurmeisje, toen ik twaalf was. Laat staan vijf meisjes uit mijn klas, met wie ik vriendschap sloot. O, in die tijd was ik met veel meer klasgenoten aan het balletten. Sommigen deden het bij een andere vereniging. Anderen zaten wel in mijn groep maar bemoeiden zich niet met mij. En ik niet met hen. Maar ja. Zulke verhalen zijn niet mooi genoeg om uitgegeven te worden. En dat hoeft ook niet. In boeken moet je kunnen wegdromen. Zeker in die van de Zonnebloem serie.

22 november 2016

Zuster Hester van Rhijn

Net als je jezelf gaat afvragen...'maar we hebben in Nederland toch helemaal geen rotspartijen en eindeloze vlakten', lees je dat het verhaal zich in Zuid-Afrika afspeelt. Het heet simpelweg Zuster Hester van Rijn, maar Ruzie, rellen en romances met Zuster Hester van Rhijn was een betere titel geweest.

West-Friesland gaf het uit in de Zonne-reeks en later nog in de Witte Raven pocketserie. Hadden ze de eer maar aan zichzelf gehouden en het helemaal niet laten verschijnen. Dit is een doktersromannetje dat doet of het een meisjesboek is. Met illustraties van Borrebach.

Het verhaal is eigenlijk heel simpel. Hester is wees geworden, moest daarom haar studie medicijnen afbreken en werd verpleegster. Ze werkt rechtstreeks onder chirurg Danie du Toit, die al op pagina twee belangstelling voor haar blijkt te hebben. Ze kennen elkaar dan anderhalf jaar. Een of twee hoofdstukken later realiseert ook Hester zich, dat ze verliefd is. Ze willen het voor elkaar niet toegeven, want het leeftijdsverschil is te groot en er zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk.

Dat was op zich al stof genoeg, om een verhaal van te maken. Zo zijn ze ook bij honderden door West-Friesland uitgegeven. Maar nee. Het moet allemaal smeuïger. Dus is Hester een goed pianiste. Maakt Andries, een broer van vrienden, avances, die ze afwijst. Wil dokter Jan het met haar aanleggen, in het ziekenhuis. Drie kandidaten. En dan zijn we dus nog pas drie hoofdstukken ver, of zoiets.

Dokter Jan houdt vol en het komt tot een handgemeen. Ruzie in de auto, waarbij zuster Hester hem afweert en vervolgens snoeihard door de voorruit smijt. Met verstrekkende gevolgen. Dan is ze weer verpleegster. Ze haalt hulp bij een inwoner uit de buurt. Hij is politiecommissaris en, hoe toevallig, ook de echtgenoot van de ernstig zieke vrouw, die dokter Danie eerder haar leven wist te redden op de operatietafel. Daar waar dit verhaal mee begon. Opnieuw genoeg ingrediënten voor een verhaal. Maar nee.

Want dokter Jan is niet genezen van zijn versierderskwaal. Hij blijft drinken en flirten. Nu de kansen op Hester verkeken zijn, nu dokter Danie hem voor zijn gedrag uit het ziekenhuis laat ontslaan, zet hij zijn zinnen op Anita du Toit. Ze is de dochter van dokter Danie. Die versierpogingen lijken succesvol te zijn. Anita is nog minderjarig, het is strafbaar. Dus daar is de politiecommissaris uit een paar hoofdstukken eerder weer.

Weer gaat de commissaris naar dokter Danie. Nadat hij hem al eerder van Jan's ongeluk vertelde, informeert hij hem nu over Jan met zijn dochter. Dan gaat Danie op studiereis naar Parijs. Hij vraagt Hester om een oogje in het zeil te houden. Dat doet ze. Maar met Anita gaat het alsnog fout. Dankzij Jan. Opnieuw is daar de commissaris. Zucht.

Wat een puinhoop. Komt het dan nooit meer goed? Johan du Toit , de jongste zoon, moet ook nog ernstig ziek worden, terwijl zijn vader niet thuis is. Eerst valt hij van de trap, daarna krijgt hij longontsteking. En o ja, hij is een van die zeldzame patiënten, bij wie penicilline niet werkt.

Nachten van waken en angst volgen. Anita en Hester komen nader tot elkaar. Hester moet maar vlug trouwen met papa. Dat doet ze ook, zodra hij van zijn studiereis terug is. Een reis, die hij om zijn jongste zoon moest afbreken. Natuurlijk wordt Johan nog beter ook. En gaan ze met zijn allen de toekomst in. In een huis vol vrienden. Uit. Hèhè.

15 november 2016

En toch werd het zo

Dit is volgens de flaptekst een goed boek. Geen snelle mannen in rode sportauto's, geen mondaine feestjes. Nee. Het is een verhaal over een gewoon meisje, dat veel herkenning zal oproepen. En het werd voor mij een mooie afspiegeling van de jaren zestig.

Het verhaal van Map van Buren begint met het in ontvangst nemen van haar diploma van de huishoudschool. Verder leren is er niet bij: er zijn nog vier jongere kinderen thuis, waaronder een pasgeboren tweeling. Map vindt het volkomen normaal dat ze nu eerst moeder een poosje gaat helpen. Pas als haar zusje van school af komt, zal ze een baan gaan zoeken. Dan neemt dat zusje de functie van hulp van moeder over. Geen discussie.

Map handwerkt keurig en kan prima met de naaimachine overweg. Ze belandt in een klein confectie atelier, waar ze echt mag werken met een elektrische machine. Op school hadden ze er daar maar een paar van. Nu wordt het menens. Map werd hard en goed. Op het loonzakje komt al snel een hoger bedrag te staan. Opslag. Wat zal moeder blij wezen.

Ze leert jongens kennen, wordt voor het eerst verliefd. Ze sluit vriendschap met de meisjes op het atelier, terwijl haar schoolvriendinnen als vanzelf naar de achtergrond verdwijnen. Ze leert tijdens het schaatsen André kennen, werkzaam op kantoor en in militaire dienst. Maar André is haar te serieus, dus beëindigt ze de verkering om vervolgens met Paul mee te gaan, die het allemaal niet zo ernstig meent.

Ze spijbelt van haar werk, met een stel collegaatjes en krijgt op haar donder. Als er geen grote personeelsschaarste was, zouden ze ontslagen zijn. laat de directeur hen weten. Ondanks dat besluiten Map en haar vriendin en collega Joep toch een baan in een ander aterlier te zoeken. Eentje waar ze promotie zouden kunnen maken. En waar ze meer kunnen verdienen. Die baan is snel gevonden.

Maar zal geen jaren meer duren. Map maakt het weer in orde met André. Daarmee eindigt het boek. Ze heeft het leven leren kennen door het leed van anderen. Ze weet wat ze wel moet doen en wat ze beter kan laten. Nog even sparen voor de uitzet, dan kan er getrouwd worden. Als André uit militaire dienst is. Tegen die tijd zal Map rond de twintig zijn en dat is een mooie leeftijd om te trouwen.

Dat laatste staat niet meer in het boek, over die uitzet en het aanstaande huwelijk. Maar dat is wel de bedoeling geweest van elk gewoon meisje uit de jaren zestig. Na school bij moeder in de leer voor het huishouden. Een paar jaar goed je best doen in een baan. Dan sparen, dan trouwen en dan moeder. Zo was het goed. Daar konden niet genoeg boeken over geschreven worden.

Met illustraties van Hans Borrebach. Later herdrukt in de Witte Raven reeks, met illustraties van Herry Behrens. Dan zijn we in de jaren zeventig beland en doet Map eigenlijk te modern aan voor het verhaal. Toen hadden vrouwen toch al wel wat meer in te brengen.

30 oktober 2016

Toop en haar pupil

Dit verhaal is waargebeurd, aldus schrijfster Anna Hers in  het voorwoord. Het verhaal van baby Josje, die opgroeit in armoedige omstandigheden, is niet verzonnen. Ik betwijfel het, eerlijk gezegd.

Toop is maatschappijk werkster in de jaren twintig van de vorige eeuw. Wie ze is, waar ze vandaan komt, wat ze in haar vrije tijd doet, het komt allemaal niet ter sprake. Wel het gezin van Klaas en Marretje, waar Josje wordt geboren. Een vader die geen vast inkomen heeft en een moeder die haar kinderen sneller ziet sterven, dan dat ze ze op de wereld kan zetten.

Er zijn er al een paar overleden als Josje ter wereld komt. Halverwege het verhaal zijn er nog eens vier broertjes overleden en sterft Marretje zelf ook. Dertig en op. Moeder van wel tien kinderen, alles bij elkaar. Alleen de meisjes overleven. Aaltie, die met een boerenzoon trouwt. Marrigje, die in een atelier komt te werken en uit stelen gaat. En Josje, die gedeeltelijk door haar grootouders wordt opgevoed.

Vader Klaas hertrouwt snel, maar verliest toch het ouderlijk gezag over de kinderen uit zijn eerste huwelijk. En Josje belandt in een kindertehuis in Maastricht waar ze ook weer niet kan blijven. Dan wordt het oorlog en gaan opa en oma dood. Op bijna hetzelfde moment. De stad, die wordt beschreven is Rotterdam. Uiteraard komt het bombardement voorbij en vanzelfsprekend verliezen Josje en haar familie dan nog een paar dierbaren.

Het gaat over het kruideniers echtpaar, de kinderen in het volkshuis. De mensen in de buurt, "het Ervie". Er wordt dialect gesproken. Het gaat over de dokter en de apotheek. Er zijn passages uit de Bijbel die als bekend worden verondersteld. Beschrijvingen van rechtzaken. Om de kinderen, om misdrijven in de familie. Het is veel te veel om allemaal in één boek te stoppen. Loodzware kost met fraai foto omslag.

Was er werkelijk zo veel leed, zo veel armoe? Waarschijnlijk wel. Maar of er ook gezinnen bestonden waar zo veel kinderen overleden? Greep er dan niemand in? Geen woord over kerkbezoek of een hulpvaardige dominee. En geen woord over de wijze waarop Toop het allemaal moest verwerken. En dat moet ze toch heus gedaan hebben. Het verhaal sprak voor West-Friesland in elk geval nog genoeg tot de verbeelding om het te herdrukken in pocketformaat.


17 oktober 2016

Waar ben ik thuis?

Dit is geen meisjesboek, dit is een sprookje. Er zitten veel te veel toevalligheden in, om het nog een roman te laten zijn. In talloze boeken uit die tijd zitten dingen die eigenlijk niet kunnen, maar dit verhaal is wel heel erg.

De hoofdstukken hebben elk een titel, het eerste heet 'Lompenlotje.' Charlot is daar een meisje van een jaar of tien. Haar vader heeft een winkel in tweedehands kleding en stoffen, vandaar dat 'lompen'. Haar moeder is overleden, vader is hertrouwd. Daarna zijn er nog drie kinderen geboren. Uit het eerste huwelijk kwam ook nog een zoon voort. George is dus een volle broer van Charlot en hij deugt niet. Charlot is een droomster, die zich niet thuis voelt in het milieu van haar vader. En haar stiefmoeder haat haar. Dat is wederzijds. Dan leert Charlot een schilder kennen. Tot zo ver hoofdstuk 1.

Hoofdstuk 2 heet 'Charlot'. Ze is inmiddels een meisje van een jaar of negentien en woont al geruime tijd bij de schilder en zijn vrouw. De schilder is geen schilder, maar eigenaar van een grote rederij. Ze zijn verhuisd naar een plaats dicht bij de haven. Ver weg van de achterbuurt waar Charlot vandaan komt. Zo af en toe bezoekt ze haar echte ouders. George begint thuis steeds minder te deugen. Nu zijn er ook aanwijzingen dat hij steelt.

In de daarop volgende hoofdstukken gaat Charlot met haar pleegouders naar Afrika, war een zus van haar pleegmoeder woont. Ze is getrouwd met een eigenaar van enorme hoeveelheden grond. Misschien wel de machtigste man van het hele land. En ze heeft een zoon, Peter. Natuurlijk wordt het wat tussen Charlot en Peter.

Maar eenmaal in Nederland blijkt haar broer George totaal uit de bocht gevlogen en in een heropvoedings inrichting te zijn beland. Dat past niet bij Peter Hertorius en al zijn grond. Charlot wil ook niet meer bij haar pleegouders wonen en zoekt een baan als kinderverzorgster. Maar Peter laat het er niet bij zitten.

Charlot en Peter worden het opnieuw samen eens, Charlot gaat terug naar haar pleegouders en ook met haar eigen ouders herstelt ze het contact. George mag mee naar Zuid Afrika, zodra zijn heropvoeding er op zit. Diezelfde George maakte haar een paar jaar eerder het leven nog zuur. Maar ja, Charlot heeft De Liefde met Het Grote Geld leren kennen en dan wordt alles anders. Zelfs voor haar biologische ouders. Die kunnen een goedlopende textielzaak overnemen. Met geld van Peter en zijn ouders,

Haar stiefmoeder, die niet wist wat ze met haar aan moest, vergaf ze al veel eerder. Haar vader, die haar tien jaar bij oma achterliet voor haar opvoeding, heeft ze ook al vergeven voordat het hoofdstuk 3 wordt. Tja.

Meisjes uit een armoedige buurt komen niet zo maar een schilder tegen. Schilders zijn ook niet tegelijkertijd directeur van een rederij. Directeuren van een rederij adopteren niet in enkele zinnen een kind, zonder tussenkomst van een bevoegde instantie. Ouders van een rijke zoon willen niet per se een meisje uit een achterbuurt als schoondochter. En mensen uit een achterbuurt hebben ook nog wel iets van trots.

Het staat er allemaal niet in. Zoals ik al zei, dit is een sprookje. En in sprookjes kan nu eenmaal alles. Zeker als ze afkomstig zijn van Nederlands bekendste veelschrijfster. Geïllustreerd door Hans Borrebach, uitgegeven door West-Friesland. Zowel in Zonne-reeks als in Witte Raven.

05 oktober 2016

Het leven is zo rijk


Mette verliest haar ouders in de oorlog. Als kind van een jaar of tien besluit ze te vluchten. Te voet. Ze weet de Pools-Duitse grens over te steken en daarna de Nederlands-Duitse. Ze spreekt haar talen vloeiend en is de dochter van een beroemd zangeres. Zo weet ze snel het huis van haar oom, broer van vader, te vinden. Daar wordt ze liefdevol opgevangen, totdat een verdwaalde Engelse bom daar een einde aan maakt. Mette overleeft het als enige.

Ze erft alles van haar oom, wordt opgevangen door een oude en onbekende tante. De oorlog maakt alles schaars en zo raakt ze snel door haar geld heen. De oude tante sterft, ze krijgt een voogd. Na de oorlog vindt ze een baantje als schoonmaakster in een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen. Dan komt het bericht van Erik, haar zwager. Haar zus Liesbeth is in Indië in een kamp omgekomen, vlak na de geboorte van hun dochtertje Elisabeth. Een dochtertje dat door de bezetter mismaakt is geraakt.

Vader en dochter komen naar Chez Soi, hun huis in Nederland. Erik stuurt een royale cheque vooruit, waarmee Mette het  huis mag inrichten. En uiteraard zichzelf verwennen. Als vader en dochter arriveren, blijkt Erik nog betrekkelijk jong en dochter een moeilijk kind, dat zich niet wil binden aan een nieuwe mevrouw. Dan komt ook nog Hans in beeld, vriend van Erik. 

Wordt het Hans of Erik? Ze willen haar allebei. Mette wil het liefst Hans, maar wil ook Elisabeth niet in de steek laten. Het blijft tot de laatste paar pagina's een vraag. Het wordt Hans, maar toen zat Chinny met Erik in haar maag. En met zijn dochter. Dan komt er ineens een baan voor Erik uit de lucht vallen, in Amerika. 

In het laatste hoofdstuk zijn ze ineens getrouwd, Mette en Hans. En gaan ze samen voor Elisabeth zorgen. Natuurlijk is het de bedoeling, dat er nog een paar kinderen bij gaan komen. Wat er met Chez Soi is gebeurd, wordt niet duidelijk. Mette is met man en nichtje op de kwekerij gaan wonen. Waar Hans, even in de dertig, eerst lang met zijn moeder woonde. Maar die is nu in een tehuis voor oude vrouwen gaan wonen. Als was het een vrouw van in de zeventig, in plaats van eind vijftig.

Het leven is onrealistisch, met veel te veel leed om als kind aan te kunnen. Met een zus die in een vrouwenkamp een kind heeft gekregen van haar man, die in een totaal ander kamp zat. Echtparen zagen elkaar in die tijd soms jaren niet. Maar zuslief werd blijkbaar van afstand zwanger. Wie er gedurende de oorlog, na haar dood voor haar kind heeft gezorgd, wordt ook niet duidelijk. 

Een kind heeft misschien moeten vluchten in de oorlog, maar niet dwars door drie landen heen, terwijl ze zich overal verstaanbaar kan maken. Ze zou al lang ergens op een boerderij opgevangen zijn, waar ze was heengebracht door een soldaat. Erik is arts, maar waar? En hoe? Hij wil een eigen praktijk beginnen, maar is tegelijkertijd zo gewild dat ze hem zelfs vanuit Amerika weten te vinden. 

Wat dit boek leuk maakt? Het kaartje, om nieuwe abonnees te werven. Wel frankeren met een postzegel, van acht cent. Het boekje met daarin de nieuwe titels en de winnaressen van de platenspeler, de platenbon en de transistorradio. Alles anno 1963. En bewaard gebleven, Dat maakt het de moeite waard. Niet het verhaal. Dat is onrealistisch en afschuwelijk. 

30 september 2016

Ver van 't veilig nest

Een optimistisch verhaal over de problemen van vier jonge vrouwen op weg naar volwassenheid, met de nodige romantische ontwikkelingen, aldus een recensie uit 1996. Makkelijk leesbaar maar nogal onnozel en een tikje gedateerd verhaal, waarin alles op het eind weer goed komt. 

De besproken editie van de Grote Letter Bibliotheek werd ongeveer veertig jaar na de eerste druk uitgegeven. Precies weten doe ik het niet, ik heb het niet nagezocht. Maar zoiets moet het wel zijn. Logisch dat het een tikje gedateerd is. Maak daar dan maar een tik van. Scholen, die al lang niet meer bestaan. De Industrieschool. De school voor maatschappelijk werk. Ambities, die een vrouw moet hebben. De taak van de huisvrouw, aldus Niek Brouwer. Zijn Marion die in het ziekenhuis gaat werken, om hem beter te gaan begrijpen. 

Fan, die stage gaat lopen in de Verkadefabriek en de personeelschef Ben van Noort beter leert kennen. Niet omdat zij zélf iets ziet in die weduwnaar met dat kleine kindje. Fan heeft immers Han Klaassen al. Ben wordt de uitverkorene van Ingrid. Dat weet ze al na een enkele ontmoeting. En moeder van Loon trouwt met oom Fred. De handwerkwinkel wordt opgeheven. Moeder Brouwer wordt zo maar directrice van een rusthuis.

Niek en Marion trouwen. Vader Korteweg koopt voor zijn dochter een huis, dat hij op naam van zijn schoonzoon zet, en een auto zodra ze haar rijbewijs haalt. Waar de mannen in de verhalen van Netty Koen-Conrad nogal eens protesteren tegen zo veel giften van schoonvaders - we willen zelf ons geld verdienen voor jullie vrouwen! - daar vindt Niek blijkbaar alles goed. Hij tobt er alleen maar over hoe hij Marion ooit kan geven wat ze allemaal van haar vader gehad heeft.

En dan is er dus nog Joek van Breenen, zusje van Karel, schoonzus van Greet. Joek, die net zo goed zwemmen kon en een geduchte concurrente van Erica Terpstra en haar collega's zou worden. Inderdaad, 'een tikje gedateerd'. Joek leert weer lopen, al zal ze nooit zwemkampioen worden. die verlamming kreeg ze door polio. Daar werd ik in de jaren zeventig al tegen ingeënt. Maar in de jaren vijftig overkwam zoiets kinderen dus nog gewoon. 

Het verhaal eindigt met Fan en Greet in de trein. Ingrid, als laatste aan de man, trouwt als eerste en maakt haar school niet af. Marion is er al nooit meer aan begonnen. Maar de andere twee klaverbladen weten ook al wel, dat ze met hun diploma niet veel meer zullen doen. Zij eindigen als huisvrouw. Amper twintig jaar, maar volkomen tevreden met hun leven.  

21 september 2016

Fietsclub 'Krap bij Kas' maakt het helemaal


Roelien, Anneke, Ina en Ineke gaan weer op fietsvakantie. Opnieuw gaat de rit naar Drenthe, waar ze schaapsherder Krijn terugzien. En daar blijft het natuurlijk niet bij. Ze ontmoeten er ook een groep wielrenners, die aan het trainen zijn voor de Ronde van het Hunebed. Wanneer de meiden aangeven, daar ook wel aan mee te willen doen, is de reactie: 'meisjes kunnen die ronde toch nooit uit fietsen'.

Dat zou normaal gesproken ook inderdaad niet kunnen. Vier meisjes van hooguit vijftien, die hoogstens van en naar school fietsen en in de zomer per fiets op pad gaan. Een wielerronde is dan wel iets heel anders. En uit fietsen is één. Winnen is twee. Want natuurlijk wint het Krap bij Kas kwartet die ronde. Ze maken het, zogezegd, helemaal. En winnen vier nieuwe sportfietsen, bestemd voor nog meer avonturen.

Het zal zo'n dertig jaar geleden zijn, dat ik dit boek voor het eerst las. En net als bij het eerste deel dacht ik ook toen al: dit kan nooit. Dit is wel verschrikkelijk verzonnen. Dit gelooft toch niemand. Maar het was wel een leuk verhaal. Met een mooie omslag. De meisjes waren zó natuurgetrouw weergegeven, ze leken wel echt.

Roelien met een bij haar joggingpak passende haarband, op een metallic bruine racefiets. Het is een andere fiets dan waar ze een jaar eerder nog mee op pad ging. Toch kan dit het gewonnen exemplaar nog niet zijn, want die fietsen zouden worden thuisbezorgd. Ach, het is een detail. Ze dragen trouwens alle vier een joggingpak. En ze hebben alle vier zo'n metallic kleurige fiets. Lang leve de beginjaren tachtig.

Op de achtergrond buigt Anneke zich over een routekaart. Ze lijken dus op weg te zijn, maar zonder bagage. Zelfs geen rugzak met een flesje frisdrank hebben ze bij zich. Ook onwaarschijnlijk. Anno 1985 had ik dat nog niet zo in de gaten, maar nu wel. Oppervlakkig meisjesboek, aldus de recensie. Aanéénschakeling van de te verwachten gebeurtenissen. De illustraties en het omslag geven de onbezorgde sfeer goed weer. 

Samengevat: tekeningen deugen, inhoud deugt minder. Dat vind ik eigenlijk ook. Zo luidt veel vaker het oordeel over de latere boeken van Kluitman. Herry Behrens verstond zijn vak, Over de schrijfsters waren ze minder te spreken. Daarvoor was het eerder andersom. Deugde de inhoud wel, maar de illustraties van Borrebach minder. Grappig eigenlijk.



12 september 2016

Een die anders was

Een later werk van Netty Koen-Conrad. Althans, de editie die ik bezit. Dit is een latere Witte Raven, al met illustraties van Herry Behrens, die toen nog onder het pseudoniem Herson werkte. De tekening suggereert een verhaal aan het eind van de jaren zestig, de inhoud is echter een stuk ouder. Eén die anders was werd eerder uitgegeven in 1955, ook door West-Friesland. Met illustraties van Borrebach. Moet ik nog eens zien te krijgen, dus, maar dat is een ander verhaal.

Dit verhaal gaat over Martha van Thiel, vreemde eend in de bijt in het gezin van vader, moeder en drie dochters. Vader heeft een kruidenierszaak, zoals je ze in de jaren vijftig nog veel zag. Zus Annie helpt er, en ook Martha moet meewerken. Vader wil geen vreemde medewerkers in de zaak. En dan is er dus nog Riekje, maar die is pas vijftien en een onnozel wicht. Dat is Annie eigenlijk ook, in de ogen van Martha.

Want Martha is anders. Ze heeft een paar jaar middelbare school doorlopen, en zou zo graag iets anders doen dan in de winkel staan. Maar hoe maakt ze dat haar vader duidelijk? Die wil er niets van horen en Martha wil geen ruzie. Het liefst zou ze schrijfster worden, maar daar kan ze thuis helemaal niet mee aankomen.

Alles verandert, als ze in de winkel kennismaakt met een klant, die leraar Nederlands op de havo is. Wat in de jaren vijftig editie ongetwijfeld HBS is geweest. Hij gaat Martha les geven in taal en stijl. Hij laat haar kennismaken met literatuur, zorgt dat ze zich ontwikkeld. Mét toestemming van haar ouders, die haar meer vrijheid geven om te schrijven. En met succes.

Martha krijgt enkele van haar verhalen en gedichten uitgegeven in tijdschriften en krijgt  bij een wedstrijd een eervolle vermelding. Dan overlijdt de geliefde leraar aan een hersenbloeding. Maar zijn taak zit er op. Hij heeft Martha geleerd hoe ze moet schrijven en daar succesvol mee te worden. En dankzij hem is ook de man in haar leven gekomen, met wie ze verder wil.

Ook wel de veelschrijfwet van Net genoemd: De Man, die eerst verloofd is met Een Leeghoofd van Adel, die zijn verloving verbreekt, waarna zij met Iemand Anders van Adel trouwt. Hij kan een baan krijgen als journalist in Parijs. Uiteraard. En dat wil hij dan weer niet zonder Martha. Uiteraard. Einde.



28 augustus 2016

Ontmoeting in Tirol

Tweede deel over de vriendinnen Fan, Marion, Greet en Ingrid. Waarin Fan haar vriendschap met Han Klaassen omzet in een officiële verloving en we kennismaken met Fan's oom Fred, die het Klaverblad mee op vakantie neemt naar Oostenrijk. Een vakantie, die gedetailleerd wordt beschreven. Fan haalt zo veel kattenkwaad uit dat het écht vervelend wordt om te lezen. Het is niet leuk meer. Marion zoekt en vindt ruzie met haar Niek en Greet leert in Trol Karel van Breenen kennen.

Dat laatste gegeven verklaart ook de titel. Het meisje op het omslag is ditmaal waarschijnlijk Greet. Niet lief en innemend, maar gewoon Borrebach. Ik bezit de Witte Raven editie, maar eerder is er ook een Zonne-reeks editie van verschenen. Dat is met veel Witte Ravens het geval geweest. Wie weet kom ik dit verhaal ook nog wel eens ergens in oudere versie tegen. Dan zal ik het in de kast zetten, tussen al mijn andere zonnereeksen, die ik in de afgelopen twintig jaar zo'n beetje bij elkaar gespaard heb, met en zonder omslag. 

Verhalen die over een vakantie gaan. Ik heb ze meer in mijn bezit. Maar heb er niet zo veel mee. Als ik had willen weten, hoe het was een wandelvakantie in de bergen van Oostenrijk te gaan maken, had ik wel een reisboek gekocht. Dit is een meisjesboek. En ja, uiteindelijk komt het goed tussen Marion en Niek. Heeft Karel eerst een relatie gehad met 'la reine du bal', die de verkering beëindigde en die haar roekeloze gedrag met de dood bekopen moest. Schaars gekleed uit geweest, dus longontsteking, dus te laat. Maar toen was het al uit met Karel, dus is het niet erg. Karel heeft een zusje, Joek, dat verlamd is geworden.

Daarover lezen we meer in deel 3. Net als over de studie aan de school voor maatschappelijk werk, die het Klaverblad eensgezind in Amsterdam gaat volgen. Wonend op de zolderetage van oom Fred. Drie van de vier zijn intussen voorzien van een verloofde / vriend. Nu Ingrid nog. Daarom is deel 3 in deze serie verschenen. En herdrukt. Als afzonderlijke delen, maar ook in een trilogie. Zo te zien moet het tot in de jaren tachtig verschenen zijn. Door de uitgever bestempeld als streekroman, waar het ooit begonnen was als meisjesboek. 

Mien van 't Sant zou heel veel streekromans gaan schrijven. Misschien zijn daarom ook wel een aantal van haar meisjesromans ook als zodanig werden uitgegeven. De bibliotheek heeft er ook nog grote letter edities van gemaakt. Om dezelfde reden, waarschijnlijk. Mien was een veelgelezen schrijfster. Wordt vervolgd, dus. 



16 augustus 2016

Moedig Annemieke (Groot Vakantieboek)

Vakanties met slecht weer in eigen huis hebben ook een voordeel. Je kunt lekker veel lezen. Dat heb ik dan ook gedaan. Afgelopen week dus maar weer eens van start gegaan met de Annemieke omnibus. Vandaag vroeg ik me ineens af, of er over Anneke Bloemen intussen niet ook het een en ander op internet was verschenen. Anders dan Marktplaats, Speurders en Catawiki, uiteraard.

Ik vond haar terug in de Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren. Met werken, primaire teksten en secundaire literatuur. Gelukkig ben ik nog bibliothecaris genoeg om te weten wat wat is. Eén boek, getiteld Annemieke van Oven, één verhaal en twee meldingen óver Anneke Bloemen.

Annemieke van Oven is het eerste deel van de vier verhalen over Annemieke. Die primaire tekst, blijkt een bijdrage te zijn in het Groot vakantieboek uit 1958. Moedig Annemieke, heet het. Het is in zijn geheel te lezen en heeft, hoera, illustraties van Hans Borrebach. 

Ik herkende het al meteen. Dit zijn inderdaad fragmenten uit Annemieke van Oven. Niet het hele verhaal. En ook zonder de oorspronkelijke tekeningen. Er zitten geen Borrebachs in de boeken van Anneke Bloemen. Was dat wel zo geweest, had ik ze nooit weggegooid. 

Dat vakantieboek, ik heb het al heel veel te koop zien liggen op rommelmarkten, maar nooit aangeschaft. Binnenkort ga ik dat toch maar eens doen. De editie van 1958 heeft dus het verhaal van Annemieke, dat oorspronkelijk in 1957 bij Fontein werd uitgegeven. Met illustraties van Borrebach. En er blijkt nog een ander meisjesboek in verstopt te zitten: De grote verandering, van Nida Voerman. 

Dat boek herken ik ook, als een uitgave van West-Friesland, ook uit 1957, trouwens. Maar dat heb ik niet vaak genoeg gelezen, om al meteen te kunnen zeggen of het een gedeelte of het gehele boek is, dat in het Vakantieboek staat opgenomen. In ieder geval: ik ga die vakantieboeken eens nader bekijken. Het zou heel goed kunnen dat er nog veel meer meisjesboeken in verstopt zitten.

En het maakt me, bijna zestig jaar later, ook nieuwsgierig. Want de dbnl heeft een volledige pdf van dat vakantieboek, Er staat nergens vermeld, waar de verhalen uit afkomstig waren. Dat ze ook als volledig boek konden worden aangeschaft. Het zou een mooie reclame geweest zijn voor de uitgevers. Zouden ze überhaupt wel toestemming hebben gegeven voor deze halve heruitgave? Wordt vervolgd. 

09 augustus 2016

Deskresearch

Twintig jaar geleden behaalde ik mijn HBO diploma. Ik was student in de tijd van de voorzichtig internet gebruiken met een modem Van werkstukken maken in WP5.1 en wel weten dat er zoiets bestaat als Windows 95, maar daar nog niet aan willen beginnen. In 1996 had ik, lagere school meegerekend, 20 jaar op school gezeten. En ik had genoeg geleerd, vond ik. Het werd tijd om te gaan werken. Serieus geld te gaan verdienen. In de praktijk brengen van alles was ik te weten was gekomen uit die stapels boeken en dictaten.

Dat viel tegen. Een passende baan was zo gevonden, maar met de opgedane vakkennis kon ik niet zo veel. Internet werd al heel snel volledig vanzelfsprekend en WP5.1 verdween rap naar het collectieve geheugen. Ja, ik had geleerd informatie te zoeken, te vinden en te rubriceren, maar dat werd met al die moderne technieken ineens een heel ander verhaal.

De studie was met het laatste jaar echt tegen gaan staan. Ik had een praktijkjaar achter de rug en het kostte me moeite terug de schoolbanken in te moeten, me weer in lesstof te moeten verdiepen. Nu koop ik zo maar een studieboek, omdat het me aanspreekt. Omdat het lijkt op dat waar het destijds op de bibliotheek opleiding om draaide. Maar dan geschreven in het nu.

Deskresearch is een handleiding voor het zoeken en verwerken van informatie. Door middel van een stappenplan wordt de lezer begeleid bij het opzetten en uitvoeren van literatuuronderzoek. Elk hoofdstuk gaat in op een specifieke fase van het zoeken naar informatie: van het formuleren van de zoekvraag tot de kwaliteit van de rapportage. Drie thema's krijgen speciale aandacht: het bepalen van de informatiebehoeften, het gebruiken van informatiebronnen en het beoordelen van de informatie. Ook is er veel aandacht voor internet als informatiebron en het gebruik van zoekmachines.

Zo luidt de samenvatting op bol.com. Het geeft de inhoud aardig weer. Dat het boek ook een dubbele bodem heeft, staat er niet in. Want dat heeft het alleen maar voor mij. En voor misschien nog iemand van mijn leeftijd of ouder, die het boek leest. Er staan dingen in, die voor de studenten van nu heel gewoon zijn, maar die mij doen grijnzen. Er was een tijd dat internet er nog niet was. Ja. De studenten van nu werden geboren toen ik zo ongeveer student af was, dus die weten niet beter dan dat er internet is.

Het handboek voor de Nederlandse pers en publiciteit en de Pyttersen's Almanak zijn niet alleen databanken, ze worden ook als boek uitgegeven. Voor de volledigheid wordt er nog even bij vermeld dat de papieren editie al veel langer bestaat dan de databank. Gos, anno jaren negentig hadden we nog maar amper een CD ROM. Bijna alles moest nog met behulp van indexen worden opgezocht. Databanken, die waren er wel, maar dat was heel complex. Iets met inbellen met een centrale server in Leiden en over de telefoon je zoekresultaten terugkrijgen. Als de computer je ten minste niet 'uit het systeem had gegooid'. Daar werd je toen nog niet kwaad om, dat gebeurde gewoon. Het was zelfs een beetje je eigen schuld. Je had 'm vast een hele moeilijke vraag gesteld en daar wist ie zich geen raad mee.

Een bibliografie is een overzicht van publicaties op een bepaald vakgebied. Werd vooral vroeger gebruikt, toen er nog niet zo makkelijk aan die publicaties te komen was. Tja, dat is nu ook een fluitje van een cent. Was toen ook wel anders. Ik heb wat af lopen emmeren om een tijdschriftartikel besteld te krijgen, waarvoor ik veel geld moest neertellen, terwijl ik er ook nog eens niets aan had. Maar ja, destijds moest je afgaan op de gegevens die je had. Dat was vaak niet meer dan een titel, auteur en een paar trefwoorden.

Tegelijkertijd is deze  tweede druk uit 2010 ook alweer achterhaald. Want er wordt nog over Hyves gesproken en LinkedIn is iets dat nog echt als zeer zinvol moet worden uitgelegd. Over Facebook ondertussen geen woord. In zes jaar kan er veel veranderen.

Van Deskresearch is een inkijkexemplaar beschikbaar. Er is geen derde druk meer van bekend.

31 juli 2016

Door's Groeitijd


Het boek werd voor het eerst uitgegeven in 1929, met illustraties van Freddie Langeler. In de jaren dertig gaf Kluitman het opnieuw uit. Het binnenwerk bleef intact, maar het omslag werd gewijzigd in een exemplaar van Hans Borrebach. Een derde druk, waarbij hij ook illustraties in het boek zelf verzorgde, is niet meer verschenen. Althans, de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek maakt er geen melding meer van.

Als je het verhaal leest, wordt duidelijk waarom. Het was ook voor jaren dertig begrippen al ouderwets. Een meisje dat na de Middelbare Meisjesschool naar de kweekschool gaat en vervolgens onderwijzeres wordt. Dat gegeven zou nog tientallen jaren mee hebben gekund. Het zijn vooral de details, die ook in de jaren veertig al achterhaald waren.

Door is een meisje dat onderwijzeres wordt. Ze geeft les aan kinderen die in klompen naar school gaan en op kousenvoeten de klas in moeten. Er zijn ouders, die zelfs te arm zijn om die klompen voor hun kinderen te kopen. Kinderen uit achterstandswijken, waar geen geld is voor de was of zelfs maar een wasbeurt. Ze zijn er letterlijk te vies om te dicht bij in de buurt te komen. Dat wordt ook echt zo geschreven. Door wil er wel lief tegen doen, maar ze kan het niet. Onderwijzers die kinderen in elkaar slaan, om ze zo te straffen voor het feit dat ze gestolen hebben. Het zou niet moeten mogen, maar wordt getolereerd. Door gaat op kamers kamers wonen en moet haar eten koken in een hooikist.

Nergens komt een auto ter sprake. Door bereikt haar nieuwe woonplaats, waar ze onderwijzeres wordt, als bijrijdster op een boerenkar. Er is nergens telefoon. En al voor je twintigste ben je volwassen genoeg om alles zelf te kunnen. Tante Louise, achterin de zestig, die nu toch echt een oude vrouw wordt. Het zijn allemaal signalen uit die tijd. En als je dat dik tachtig jaar later leest, waan je je echt in een voorbije wereld. Misschien dachten ze in de jaren dertig al zo en moest Borrebach er daarom toen al een omslag voor maken. Modern, voor die tijd. Maar te modern voor het verhaal.

Clara Asscher-Pinkhof, geboren in 1896, is zelf onderwijzers geweest. Ze trouwde in 1919, toen ze al een paar jaar voor de klas stond. Volgens haar biografie heeft ze les gegeven in de Betuwe. Door wordt onderwijzeres in Duursen. Een plaats die niet bestaat, maar ze hebben er wel kersen. En ze praten er dialect. Ik kom zelf uit de buurt van de Betuwe en herkende de taal die de schrijfster de bewoners liet spreken. Het verhaal zou dus heel goed autobiografisch kunnen zijn. Door wil namelijk ook nog schrijfster worden.

Het verhaal mag dan uitgegeven zijn in 1929, het speelt zich zeker twintig jaar eerder af. Toen waren er amper auto's en telefoons. Werd er, zeker op het platteland, nog gekookt met hooikisten. Dat was in de jaren twintig nog niet zo lang geleden, maar in tien jaar later deed het ineens ouderwets aan.

Achterin het boek staat een lange lijst van titels, die in deze serie te verkrijgen zijn, elk met een korte samenvatting. Er zijn veel verschillende illustratoren bij vermeld. Borrebach staat er nog niet tussen. Zijn glorietijd bij Kluitman moest dus nog beginnen. Hij zou er meer dan veertig jaar zijn geld verdienen.

Door's Groeitijd is gratis als PDF te downloaden.

25 juli 2016

Eindspurt

Deze Witte Raven Pocket heb ik tweedehands gekocht in 1996. Veel uit deze reeks komt uit die tijd. Het is het begin van mijn verzameling geweest. Als student had ik niet veel te besteden. Boeken waren een luxe uitgave. De tweedehands exemplaren waren bij het antiquariaat toen al behoorlijk aan de prijs. Een paar jaar later zou ik de rommelmarkten gaan bezoeken. Toen kwam ik tot de ontdekking dat antiquariaten altijd veel te veel voor hun spullen vragen. Maar dat wist ik twintig jaar geleden nog niet.

Het enige wat daar toen te betalen was, waren de pockets. Voor een Witte Raven werd één gulden, of één vijftig gevraagd. Dat kon er nog wel af. Bovendien waren ze klein van formaat, dus gemakkelijk mee te nemen in de trein. Ik heb ze heel veel al direct na aanschaf gelezen.

Eindspurt is het eerste deel van drie verhalen over 'het klaverblad'. Vier vriendinnen uit Gorinchem, wat Mien van t Sant 'Gorcum' blijft noemen. Marion Korteweg, Greet Brouwer, Fan Nijland en Ingrid van Loon. Ze zitten in het laatste jaar van 'de Industrieschool', waar ze elke dag met de trein naar toe reizen. Hans Borrebach heeft Marion op het omslag gezet, en de man naast haar is Niek Brouwer, broer van Greet, met wie ze zich al snel verlooft.

Marion Korteweg heeft een vader en een moeder in het buitenland. Ze is een Indische Nederlander, net als Greet. De vader van Greet was tropenarts en is in Indië overleden. Zij is toen met moeder en broer terug naar Nederland gekomen. De vader van Marion woont nog steeds in wat nu Indonesië heet. Niet meer samen met haar moeder, want die kon de ontberingen van het land niet langer aan. Marion woont bij bekenden. Ze voelt zich eenzaam en trekt zich al heel snel op aan de familie Brouwer.

Het verhaal kent eigenlijk vier hoofdpersonen. Het perspectief wisselt nogal eens. Zo gaat het in eerste instantie vooral over Ingrid, die een zieke vader heeft. Vader Van Loon overlijdt, waardoor ze moeten verhuizen naar een bovenwoning. Moeder Van Loon neemt een handwerkzaak over, samen met zus Triens. Vader Van Loon was fabrieksdirecteur, maar liet de familie kennelijk niet genoeg na, om zorgeloos te kunnen leven.

Van de zorgen van Ingrid gaat het naar de zorgen van Marion en via haar en Greet belanden we bij Fan. Die eigenlijk Corrie heet, maar door een oom Fantasia is genoemd, naar het door Walt Disney vertaalde sprookje. Fan heeft de vader met het vele geld en de moeder met verbeelding. Fan moet zich gedragen en opzitten. Zo iemand komt bijna in elk meisjesboek wel voor.

Het verhaal eindigt met de verloving van Niek met Marion. Vader Brouwer, die even in Nederland is, kan er en passant nog even zijn toestemming voor geven. Van trouwen komt voorlopig nog niets. Marion moet nog naar school en Niek studeert. Wordt vervolgd dus. Ook al, omdat de andere drie dames nog niet aan de man zijn.

20 juli 2016

In glijvlucht naar het geluk / Op vleugels door de storm

West-Friesland gaf het uit in 1959. Als je het zo tussen al die andere West-Frieslanden in de kast ziet staan, zie je geen verschil. Ook een band in kunstleer en een omslag van Borrebach. Illustraties van dezelfde schrijver. In dit geval de tekst dus ook. En wanneer je gaat lezen, merk je meteen dat dit een ander soort verhaal is. 

De vader van Sylvia van Wezel is een graaf. Hij heeft een goede baan en is daarnaast bestuursvoorzitter van een kostschool ergens op de Veluwe. Een ouderwets, vervallen instituut, dat na de dood van de directrice op zoek moet naar een nieuw schoolhoofd. Dat wordt dus uiteindelijk Sylvia. Niet veel ouder dan een jaar of tweeëntwintig, met als enige ervaring een paar tijdelijke baantjes in het onderwijs. Ze veroudert haar uiterlijk iets en gaat vervolgens aan het moderniseren. De kostschool verandert drastisch. Geld is blijkbaar geen enkel probleem. 

Ze begint met de inrichting van haar eigen kantoor, daarna volgt het lesprogramma en ten slotte komt er zelfs een geheel nieuwe school te staan. En passant komt er nog een beste vriendin voorbij, en een paar huwelijkskandidaten. Vriendin Letty werkt voor een filmmaatschappij. Ze neemt zweefvliegles, haalt haar brevet en trouwt uiteindelijk met de zoon van de architect die haar kostschool gebouwd heeft. Die Felix junior is weer een broer van Eric, de vriend en collega van Letty.

Het is niet alleen toevallig, het is ook nog allemaal heel onwaarschijnlijk. En er zitten fouten in, bovendien. Sylvia heeft een broer, die Renée heet. Maar wanneer je het zó spelt, heeft ze een zus. Eén of twee keer wordt hij inderdaad als René aangeduid. Consequent is Borrebach in elk geval niet. Eric heet in het begin Drunnen, en later heten hij en Felix Drunen. Aanvankelijk zijn het helemaal geen broers van elkaar, ook. Afstanden met de auto worden in recordtempo afgelegd. Sylvia kan met haar neef in één ochtend vanuit de Veluwe naar Amsterdam én Eindhoven om haar noodzakelijke inkopen te doen. En dan heeft neef Karel nog een oude, aftandse auto ook. 

Bovendien is het verhaal, voor de tijd, waarin het werd uitgegeven, gewaagd. Want Sylvia en Felix bedrijven de liefde, tijdens een bezoekje aan de Brabantse Vennen. Er wordt naakt gezwommen. Dat wordt  niet met zoveel woorden gezegd, maar tussen de regels door blijkt dat uit alles. 'Help me onthouden dat ik de volgende keer wel mijn 'malliot de bain' meeneem.' zegt Sylvia bijvoorbeeld tegen Felix. Waarmee dan badpak wordt bedoeld. Er staan meer van die niet-bestaande woorden in, bedoeld om het allemaal nog luchtiger te maken.

Het is onbegrijpelijk, dat West-Friesland dat bijna zestig jaar geleden uit heeft gegeven. Alsof ze niet kritisch hebben gelezen. Dat hebben ze misschien ook niet. Want 'iets met Borrebach' was toen synoniem met 'iets dat goed verkocht'. En dus hebben ze het manuscript aangenomen. En gepubliceerd. 

De uitgave werd rond 1970 overgenomen door Candlelight, die het een nieuwe titel gaf en Borrebach om een nieuw omslag vroeg. Daarmee heeft het niets meer van het meisjesboek uit de jaren vijftig. Maar eigenlijk is het ook nooit een echt meisjesboek geweest. Wel iets bijzonders voor de verzameling.  

28 juni 2016

Handboek voor etiquette : goede manieren en omgangsvormen

Zo lang boeken niet bladerbaar worden aangeboden op internet, zal ik ze daar niet aanschaffen. Nieuw niet, omdat doorbladeren de enige manier is, om er achter te komen of de inhoud me echt bevalt. En tweedehands niet omdat behalve de inhoud, ook de staat van het boek me moet bevallen.

Een Borrebach met een scheur of vouw, daar is overheen te komen. Maar het moet geen kleurboek zijn geworden. Of vol krassen staan. Ja, zulke exemplaren worden te koop aangeboden. Het overkomt me ook nog geregeld, dat ik boeken alsnog weg gooi. Als ik ze gelezen heb en constateer, dat het bij nader inzien niets is. Dit Handboek voor Etiquette, dat ik nieuw aanschafte in 2003, wordt nu een Handboek voor de oud papierdoos.

Ik heb het destijds alleen even vluchtig doorgebladerd. En pas onlangs echt gelezen. Toen ik het kocht, heb ik speciaal op het colofon gelet. Daar stond 2003 als jaar van uitgave in. Ik ging er van uit, dat twee jaar na de officiële invoering van de euro, er geen prijzen in guldens meer zouden voorkomen. Bij een boek van omstreeks de eeuwwisseling was dat nog wel mogelijk geweest, zo hield ik me voor.

Maar er worden dus nog wel overal guldens in genoemd. Het betekent dus, dat een uitgever een echt achterhaald manuscript heeft gepubliceerd. Als het een herdruk was geweest, zou dat in het colofon van dit boek moeten staan. Maar daar staat alleen iets over het copyright van deze uitgave. De catalogus van de Koninklijke Bibliotheek geeft me het antwoord. Ja, dit is een herdruk. De oorspronkelijke uitgave is uit 1996, verschenen bij Slingenberg Producties. Verba te Hoevelaken heeft alles klakkeloos overgenomen.

Natuurlijk, ik bezit meer achterhaalde boeken, ook op het gebied van etiquette. Maar van die boeken wist ik dat het achterhaald was, toen ik ze kocht. In dit geval wist ik dat niet. Maar ik weet het dus nu. Ik had eigenlijk ook beter moeten weten, toen ik het kocht. Deze uitgave komt namelijk bij Boekenvoordeel vandaan. En wie daar iets tegen een spotprijs koopt, mag absoluut geen eisen stellen.

De kloeke omvang van dit boek doet een degelijk naslagwerk verwachten en dat zou dertig a veertig jaar geleden ook terecht zijn geweest. De omgangsregels in de maatschappij anno 2003 zijn, behalve voor officiele gelegenheden, veel informeler geworden, zo luidt een recensie van bol.com. De veranderde bevolkingssamenstelling, de opkomst van mobiele telefoons, e-mail, andere dan christelijke feesten enzovoort worden in dit boek gemist. Een handreiking voor leven met en naast elkaar met respect voor ieders opvattingen is nodig, niet de strikte, formele regels die hier worden gegeven.

Het boek was dus zeven jaar ouder dan 2003. En in 1996 was de mobiele telefoon nog niet zo ingeburgerd, net zoals het gebruik van e-mail. Dat geldt waarschijnlijk ook voor die andere dan christelijke feesten. En ja, de afsluitende opmerking geen register, in de recensieklopt ook. Het was me nog niet opgevallen, maar die zit er inderdaad niet in. En daarmee is het, volgens de regels van het vak, ook geen echt naslagwerk. Je kunt er niets in terugzoeken. Handboek voor de oud papier doos, dus.

21 juni 2016

Stel je voor dat ik ging emigreren!

Inmiddels verzamel ik al wel vijfentwintig jaar meisjesboeken, met die voorkeur in de jaren vijftig en zestig. De meisjes, voor wie die boeken bedoeld waren, zijn zo oud als mijn moeder en haar vriendinnen. Ik ken dus nogal wat tienermeisjes persoonlijk, die inmiddels de zeventig naderen. Gelukkig wel, zo kan ik de tijd van toen een beetje relativeren. Nee, dat wat in boeken staat, is meestal niet helemaal waar. Maar dat wat in meisjesboeken staat opgetekend, komt niet eens in de buurt van de werkelijkheid van toen.

Stel je voor, dat ik ging emigreren, is het zoveelste verhaal van een meisje dat het land verlaat, de liefde achterna voor een betere toekomst. Alsof de meisjes van toen bij bosjes emigreerden. De meesten niet. De meesten waren als mijn moeder en haar vriendinnen. Een baantje na de middelbare school, wat in huis helpen en intussen wachten op de verloofde. Meestal ook niet zo'n knappe, resolute man met een goede positie, zoals ze in de boeken staan.

Like heeft een moeilijke strijd met zichzelf uit te vechten als haar beste vriend naar Australië emigreert. Ze heeft altijd sterk onder de invloed van haar ouders gestaan, die wel eens vaak over-bezorgd voor haar waren en die niet kunnen begrijpen dat hun dochter plots zo zelfstandig en op eigen benen wil gaan staan. 

Aldus de achterflap van de pocket. Like, als in Engels voor leuk, maar het was vast niet zo bedoeld. Het is gewoon Lieke zonder E. Ze heeft bespottelijk strenge ouders. Haar vader is leraar scheikunde en wordt door zijn leerlingen 'de dictator' genoemd. Haar beste vriend is een leerling van haar vader. Hij vertrekt met zijn ouders inderdaad naar Australië, nadat haar schoonzus in spé hen dat heeft geadviseerd. Het verhaal gaat ook over haar. Jolanda is verkoopster in een warenhuis en beseft dat ze emigreren als een walhalla heeft gezien. Ze gaat uiteindelijk niet mee.

Het verhaal gaat niet alleen over Like, of over Jolanda. Het gaat ook over zus Ida en haar vriend Anton, die gecharmeerd was van Like. Het gaat over de ouders van Like en over haar vriendin. Veel hoofdpersonen voor een verhaal. Het is geen verhaal. De korte hoofdstukken hebben allemaal een titel. Hoofdstukjes, die zo maar midden op een pagina beginnen. Wat het nogal rommelig lezen maakt. Het zijn zes, zeven verschillende verhaallijnen in één pocket. Met als thema emigreren. Stel je voor. En dat geïllustreerd door Borrebach.

07 juni 2016

Moet ik een 'begijntje' wezen?

Het is 1968, als dit boek verschijnt. De tijd van hippies, provo's en zo meer. Waar vijf jaar eerder moeder nog met een pot thee op dochterlief wachtte, moet ze nu uit werken, omdat vader niet meer leeft. Waar het huis vroeger een thuis was, daar gaan ze nu liever naar een stamcafé. En de mannen, die willen intussen seks voor het huwelijk. Want zo zijn mannen. Geworden. Ze waren het in het begin van de jaren zestig nog niet, in de boeken van Netty Koen-Conrad.

Louise woont met haar moeder en oma in een huis, en heeft nog wèl principes. Al vraagt ze zich wel af, waarom. Want iedereen is toch tegenwoordig vrij en niemand gaat toch meer als maagd het huwelijk in. Nee, niet elke kerel deugt. Ton van Claire deugt beslist niet en Con van Charlot laat haar zelfs zwanger achter. Wim, de zoon van haar chef, deugt wel en wordt haar vriend. Maar als ook hij zijn driften niet kan beheersen wordt Louise kwaad en smijt ze de deur voor hem dicht.

Om haar principes wordt Louise door haar vrienden Begijntje genoemd. De vrienden uit stamkroeg 'Nicolette', waar ze maar weinig komt als haar relatie met Wim een serieuze blijkt. Wim wil bij nader inzien nog best wachten met seks, tot ze getrouwd zijn. Gelukkig trouwen ze snel. Er is nog even iets over een uitzet bij elkaar sparen en een bruidsjurk passen.

Halverwege het verhaal trouwt moeder met de rector van de school waar ze lesgeeft en sterft oma. Ze voelt geen blijdschap voor haar moeder. Haar tweede vader biedt ook geen echt nieuw thuis voor haar. Al ziet ze wel in dat haar moeder er veel gelukkiger door wordt. Maar bij hen blijven wonen wil ze niet. Gelukkig kan er getrouwd worden. Als eerste uit haar vriendengroep. En hoeft Wim niet langer te 'wachten'.

Louise is dus een begijntje, maar ze heeft er geen spijt van. Een meisje moet als maagd het huwelijk in, hoe moeilijk dat soms ook is. Een meisje moet zich in kunnen houden, een man heeft zo zijn driften, die kan zoiets niet. Maar hij wil wel een maagd als hij trouwt. Iets liefs, iets wat nog niet beschadigd is. Vreemd toch, dat een paar jaar eerder mannen vooral wilskrachtig moesten zijn. En een goed salaris moesten hebben. Driften, daar had hij geen last van. En de mannen die het wèl hadden werden resoluut bij de eerste te directe toenadering afgewezen. Ze gaven hem nog geen kus, Mieke, Joan en Loes.

Nu is alles anders. En het werd er niet beter op. Het resultaat was een krampachtige poging van de schrijfster om de moderne tijd bij te benen. Uitgegeven door West-Friesland, in de nog altijd bestaande Zonne-reeks. Waar Herson alias Herry Behrens intussen de vervanger van Hans Borrebach was geworden.

30 mei 2016

Copyright

Nee, dit is geen afbeelding van een oud meisjesboek met illustraties van Hans Borrebach. Dit ben ik, in een selfie met mijn poes Toos. Het is een zeer eigenwijze kat en ze heeft er vast geen probleem mee, dat deze foto nu voor iedereen te downloaden is. Ik ook niet trouwens, want hij is best goed gelukt.

Het enige dat ik dan wel zo netjes zou vinden, is een melding dat het mijn foto is. Maar ja. Qua copyright stelt internet niet zo veel voor. Dat geldt niet alleen voor deze foto.

Ik heb in 2009 een account aangemaakt op Catawiki. Op dat moment werkte ik al niet meer in de bieb. Het was hartstikke leuk om mijn boekenkast met anderen te gaan delen en er over te praten. Ik vond complete beschrijvingen van boeken, die ik ook bezat. Gedeeltelijke beschrijvingen, die ik kon aanvullen. Als ik een boek niet terugvond, maakte ik er zelf een beschrijving van. Mijn hele verzameling zette ik op foto. En daar waar Catawiki nog geen plaatje bij een beschrijving had, voegde ik mijn exemplaar toe.

Catawiki veranderde langzaamaan in een veilingsite. Zo eentje waar van alles en nog wat te koop werd aangeboden. Het ging al lang niet meer alleen om boeken. Zelf kreeg ik steeds vaker mailtjes of ik mijn verzameling niet wilde verkopen. Steeds weer moest ik antwoorden, dat ik blij was dat ik ze had en ze zeker niet verkocht. Uiteindelijk was ik het echt beu. Ik maakte mijn virtuele boekenkast leeg. Dat lukte maar ten dele. De plaatjes bleven zichtbaar, naast de beschrijving. Ik kreeg ze niet meer weg. Rechtsonder in de hoek van mijn foto stond nu een blauwe C. Als in: eigendom van Catawiki, niet meer van mij. Vast een voorwaarde, die ik destijds niet goed gelezen heb.

Voor het schrijven van een blogpost zoek ik vaak op Google naar achtergrondinformatie. Ik kom dan vaak uit op Hoeverzinjehet.blogspot.nl. Grappig, maar logisch. Mijn blog staat opgenomen in de Google zoekresultaten. Maar door te googlen, vind ik mijn teksten ook op hele andere plaatsen. Vaak niet eens als een geheel. Er is zo maar een fragment geknipt en geplakt.

Op Goodreads, bijvoorbeeld, staan twee beschrijvingen van Goud Elsje van mijn hand. Ja, ik ben lid van deze site en nee, deze beschrijvingen heb ik niet toegevoegd. En deze beschrijving van Max de Lange, komt me ook heel bekend voor. Boeken van vroeger zijn leuk. Dat vind ik ook. Maar laat even weten, waar je de info vandaan hebt. Word op zijn minst volger van deze blog. Dan volg ik jou ook. En wie weet, kunnen we nog iets leren van elkaar.

18 mei 2016

Fietsclub 'Krap bij Kas'

Het verhaal is zó leuk, dat je zin hebt om met ze mee te gaan, aldus de tekst op de achterkant. Dat vond ik destijds ook. Fietsclub 'Krap bij Kas' zou een serie van vier boeken worden, die ik in de jaren tachtig dankzij de bieb allemaal gelezen heb. Een er van kocht ik destijds in de boekhandel van een gewonnen boekenbon. Een ander deel vond ik tweedehands. En eergisteren kocht ik voor een prikje deel 1, zodat ik er nu een recensie van kan schrijven. Dertig jaar nadat ik de serie zelf voor het eerst las.

Hoe ik er nu tegen aan kijk? Het omslag is mooi. Het spreekt aan. De vier vriendinnen zouden zo bij je in de klas kunnen zitten. Anneke van de Pas voorop, en achter haar van rechts naar links: Ineke Steenbeek, Roelien Hollander en Ina Beumer. Anneke is de rustigste van het stel, een beetje verlegen ook. Geen type om voorop te rijden, eigenlijk. Ineke wordt omschreven als een meisje met jongensachtig kort haar. Korter dan Herry Behrens het heeft getekend. En Roelien heeft een nieuwe sportfiets bij elkaar verdiend, waar ze mee op vakantie gaat, zo staat te lezen. Geen toerfiets, zoals hier.

Het verhaal is vooral onwaarschijnlijk. Hoe oud de meisjes precies zijn, waar ze op school zitten, of ze bij elkaar in de klas zitten, wordt allemaal niet duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat het vakantie is en dat ze op pad willen. Irene komt op het idee een fietsclub op te richten. Omdat ze nogal 'Krap bij Kas' zitten moeten er karweitjes worden opgeknapt om geld te verdienen. Vooral werkjes bij ouders thuis. Over een krantenwijk, fruit plukken of vakken vullen wordt niet geschreven. De ouders maken ook amper bezwaar tegen hun plannen. Dat zou bij mij thuis wel anders zijn gegaan, als ik zoiets had gewild, op mijn vijftiende.

Fietsen is leuk, fietsen gaat vanzelf, het is soms slecht weer maar nog veel vaker mooi. En maaltijden, die komen gewoon gratis voorbij. Omdat je vriendschap sluit met een eenzame herder in een boshut. Een wereldvreemde man die blijkbaar geen enkel probleem heeft met vier pubermeiden op zijn terrein. Ze mogen er zo maar een week met hun tentjes staan. En als een boze ram hun onderdak vernield regelt de herder samen met de boer uit het dorp gewoon vier nieuwe tenten. Zo maar.

Het was de bedoeling om naar de camping te gaan van de oma en opa van Ineke. Maar zo ver komen ze niet. Het was zo gezellig bij de herder in Drenthe, dat ze daarna besluiten terug naar huis te rijden. Volgende keer beter. Op naar het volgende deel. Waar ze een popconcert bijwonen, of vier nieuwe fietsen winnen. Of de grens over gaan. In welke volgorde het kwam, weet ik niet precies meer. Wel, dat ze het nog allemaal mee gaan maken. Ja, je zou zo met ze mee willen. Als fietsvakanties ook werkelijk op deze manier verliepen. Als alle maaltijden gratis waren, lange afstanden niet lijken te bestaan en de belevenissen plus kado's je zo maar om je oren vliegen. Wie wil dat nou niet.

12 mei 2016

Tekenen en schetsen als hobby

In 1995 verscheen Babs bootje krijgt een stuurman, het boek over de meisjesroman en hun illustrator Hans Borrebach. Nog altijd een mooi standaardwerk voor de verzamelaar, trouwens. Het zit goed in elkaar en bevat onder meer een bibliografie. Een overzicht van alle boeken die Borrebach zelf geschreven heeft. Tekenen en schetsen als hobby, stond er tussen. Tweede deel in de Amstel Hobby Pocket Reeks. Een boek waarbij hij dus zijn eigen werk uitlegt. Ik was er vanaf dat ik het in 1995 las, benieuwd naar, maar vond het nooit. Tot afgelopen week, dus. Met dank aan Marktplaats.

Ja, mijn vermoedens zijn al die tijd juist geweest. Borrebach legt inderdaad uit hoe je kunt leren tekenen en schilderen. Al doet hij dat wel héél oppervlakkig. De keuze van het materiaal, de techniek, de verschillende onderwerpen, hij stipt het slechts even aan. De meeste aandacht besteedt hij aan het tekenen van het menselijk lichaam, en dan in het bijzonder dat van de vrouw. Niet verwonderlijk, voor wie hem een beetje kent.

Nu teken en schets ik al zeker dertig jaar bij wijze van hobby en heb er zo nu en dan ook wel eens wat theorie over bestudeerd. Iets nieuws heb ik in dit boek niet gevonden. Dat wat Hans Borrebach er over schrijft, wist ik al wel. Dat komt misschien ook, doordat tekenen vooral een kwestie is van doen, aldus Borrebach. Veel oefenen. Het is lastig, om het in tekst te vangen.

Wat dit boekje dus wel is, is een inzicht in wat hij zelf belangrijk vond, als illustrator. Het is verschenen in 1961, de tijd waarin hij tientallen meisjesboeken per jaar van omslag en binnenillustraties voorzag. Lopende band werk, zo noemde hij het later zelf. Zo is dit boekje ook geschreven. Wat techniekjes, wat over materiaal,veel kijken en vooral doen. Dan lukt het vanzelf. Wordt u misschien net zo'n tekenaar als ik. En, bij voorkeur ook amateurfotograaf. Waarbij Hans Borrebach het niet nalaat, om tevens wat reclame te maken voor de andere boeken die hij bezig is te schrijven.

In het laatste hoofdstuk, De foto als hulpmiddel bij het tekenen en schetsen, noemt hij er een paar. Alles over de fotografie. Betere kleurenfoto's maken. Het zelf afwerken van uw kleurenopnamen. Titels die ook inderdaad zijn uitgegeven. Maar 'Figuurstudies als tekenvoorbeeld' heb ik nergens kunnen terugvinden. Net zo min als 'Tekenen en verven in kleuren', wat hij in hoofdstuk 5 noemt. Beide titels waren dan ook nog 'in voorbereiding'. 

Uitgeverij Veen, waar verder al zijn fotoboeken zouden worden uitgegeven, zag in die manuscripten in elk geval geen nieuw boek. Of misschien heeft hij het wel nooit aangeboden. Boeken over fotografie 'deden' het beter dan boeken over tekenen en schilderen. Het sprak meer mensen aan. En was, gezien het enorme aantal titels dat hij er van uit zou laten geven, blijkbaar sneller geschreven ook. Wordt vervolgd. 

27 april 2016

Doro ontdekt zichzelf


Google books vat het als volgt samen:Episode uit het leven van een egocentrisch jong meisje, dat totaal uit haar evenwicht raakt, als ze bij haar vriendin, die een stiefmoeder krijgt, niet langer op de eerste plaats staat. Ze wordt dermate humeurig en ongezeglijk, dat haar moeder, die haar vergeefs wat zelfkennis wil bijbrengen, haar voor een tijdje van huis stuurt.

Borrebach maakte er een omslag bij die totaal niet overeenkomt met de inhoud van het boek. Hij suggereert, dat Doro iets letterlijk ontdekt. Wat niet zo is. Maar ook de samenvatting die Google er van geeft, klopt niet met de werkelijkheid.  Ik weet niet, waar die samenvatting vandaan komt. Een aanbeveling is het zeker niet. Door het zó op te schrijven leg je het boek als meisje ongelezen opzij.

Alsof het gaat om een onmogelijk kind, waar geen land mee te bezeilen is. Zó erg heeft Annie Oostenbroek-Dutschun het nu ook weer niet neergezet. Ja, vriendin Anneke krijgt een stiefmoeder. Maar daarvoor heeft ze het heel lang zonder moeder moeten doen, waardoor ze kind aan huis werd bij Doro en haar familie.

Doro zit erg met zichzelf in de knoop en besluit uiteindelijk inderdaad bij een tante te gaan logeren. Dat is niet, omdat ze van haar moeder uit huis moet. Dat is, omdat tante heeft haar been gebroken en hulp nodig heeft. Bovendien zoekt oom een assistente in de winkel. Doro komt zelf tot de conclusie, dat het beter is dat ze bij haar oom en tante gaat wonen. Ze wil eerst voor haar tante gaan zorgen en daarna oom gaan helpen. 

Doro sluit vriendschap met Mies, een andere klasgenoot, die eveneens naar de stad van oom en tante trekt, om er coupeuse te worden. De vriendschap met Anneke raakt bewust uit beeld. Doro komt tot het besef, dat zij haar nu niet meer nodig heeft. Ze heeft nu immers weer een moeder. En Anneke, op haar beurt, realiseert zich, dat ze Doro wel erg heeft geïdealiseerd. Als het aan haar lag, was de vriendschap nog niet ten einde. Maar ze voelt wel aan, dat er dingen gaan veranderen. Best zielig voor Anneke, eigenlijk. Want behalve een moeder is het toch ook goed, vriendschappen te hebben. Of Anneke nog andere vriendinnen heeft of krijgt, wordt niet duidelijk.

Doro ontdekt zichzelf maar ten dele. Ze weet nu wat ze worden wil en ze weet ook, dat het beter is als ze daarvoor uit huis gaat. Maar tegelijkertijd ziet ze in, dat ze fout is geweest. En laat haar moeder haar duidelijk weten dat, als ze heimwee krijgt, Doro altijd terug naar huis kan komen. Zo egoïstisch is ze dan toch ook weer niet. Doro heeft best een goed hart, ze drukt zich alleen niet altijd even gelukkig uit. 

19 april 2016

De Uruguees

Een jongensboek, dit keer. Ik spaar ze eigenlijk niet. En liet ze eigenlijk ook altijd liggen. Maar ja, we hebben het hier wel over een vroege Borrebach. Een kadootje van een meisje aan een jongen, althans, dat is wat ik uit het kriebelschrift in kroontjespen kan halen, op de eerste pagina. Gekregen in 1930. Zesentachtig jaar geleden. Laat de ontvanger toen een jaar of veertien zijn geweest. Dus geboren in 1916. Honderd jaar geleden.

De Uruguees lag zo maar voor een euro bij de kringloop. Met een heleboel illustraties tussen de tekst. Een mooie omslagtekening op het linnen en aan de binnenkant zat ook nog een gekleurde illustratie geplakt. Ik heb het dus gekocht. En meteen gelezen. Het geheugen van Nederland geeft een mooie omschrijving van het verhaalWouter Duynstee, bijgenaamd 'De Uruguees' (veel voetbalhelden kwamen uit Uruguay) ziet af van de Olympische Spelen in 1928 omwille van zijn studie.

Er is een volledige versie te lezen via de website van de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. In ouderwetsche spelling, dus met extra klinkers op plaatschen waar ze nu al lang niet meer hooren. Maar het verhaal is nog veel meer dan een voetbalboek. Het weerspiegelt de jaren twintig. Er is nog standsverschil. Mag Wouter wel zo maar lid worden van die voetbalclub, als HBS-er met een eenvoudig vader? Het wordt nog een heuse discussie op de bestuursvergadering.

Wouter krijgt via zijn directeur dus een baan aangeboden, maar hij heeft ook de kans om als voetballer te schitteren in het Nationale elftal. Om de baan als sportleraar te kunnen aanvaarden, zal hij zijn diploma zo snel mogelijk moeten halen. Maar dan kan hij niet trainen voor de Olympische Spelen. Hij vraagt zijn leraar om advies. Die zegt, dat hij zeker voor de studie moet gaan. Immers, als gymleraar kan hij elk mens van dienst zijn, als lid van het Nationaal elftal doet hij het hooguit voor het team. En wat is nou beter?

Dat eerste natuurlijk. En Wouter krijgt de baan, nadat hij is afgestudeerd. Ook al omdat hij katholiek is. Hij doet zijn werk niet alleen voor zichzelf. Hij doet het voor alle menschen. In dienst van O.L.H. Onze Lieve Heer. Want de schrijver was katholiek en daarmee het boek ook. Kees Spierings droeg zijn boek op aan zijn kameraden uit zijn sport tijd.

Zelf was hij meer dan vijfentwintig jaar onderwijzer in Den Bosch, aldus de Bossche encyclopedie. Hij bewerkte toneelstukken en regisseerde ze ook. En schreef, behalve dit boek, nog meer verhalen voor jongens. Wie weet kom ik er nog wel eens een tegen, zo bij de kringloop. Dan schaf ik het aan. Voor de verzameling zijn ze prachtig, bij nader inzien.

14 april 2016

De Mieke serie van Netty Koen-Conrad

Ze doen het bijzonder goed bij een grauwe, grijze avond of dag, in combinatie met een fleecedeken, pantoffels en een kat op schoot. De boeken van Netty Koen-Conrad. Het heerlijke jaren vijftig of zestig leven. Het was de tijd van zuinig aan en sparen, maar er was niets meer op de bon. Het huishouden, bij voorkeur gecombineerd met de zorg voor een paar eigen kinderen, was nog steeds het hoogste ideaal voor een vrouw.

Een echtgenoot, vader of broer, hij mocht dan druk zijn met zijn werk of studie, dat gaf allemaal niets, zo lang jij er maar voor hen was, als rots in zijn branding. Huishouden doen, zelfs met een hulp, was wel degelijk een beroep. En de hobby's, die je als vrouw uitoefende moesten in het teken van de huisvlijt staan. Dat laat Netty in al haar boeken wel doorschemeren, maar bij haar boeken over Mieke Carels-Hogengbirk slaat ze door.

Mieke als oudste zus, als echtgenote, als moeder, ze doet werkelijk niets anders. En ze doet het met plezier. Met een grote verantwoording. Deel 3 begint met een Miek, die in slaap gevallen is op een stoel. Haar tweeling is ziek geworden die nacht en ze heeft nauwelijks geslapen. Zo vindt haar vader haar, midden op de dag. Stel je voor, dat Leo me zo had gevonden. Mooie vertoning van de ijverige huisvrouw, zo berispt ze zichzelf. Dan staat ze vlug op, om zichzelf in het fatsoen te brengen en de verloren tijd in te halen.

Als we haar toch niet hadden, is een uitspraak die ook in bijna elk hoofdstuk wel voorkomt. Vader verzucht het in deel 1, de broers en zussen in deel 2, haar man in deel 3 en haar kinderen in deel 4. Ja, wat moesten we zonder Miek? Dan was het gezin uiteen gevallen, omdat ze moeder zo goed heeft vervangen (deel 1). Dan had Leo nooit zo'n zorgzame en lieve echtgenote gehad (deel 2). Dan had broer Remco nooit met Sylvia kunnen trouwen, het was immers Miek die het contact in stand hield, toen Sylvia's vader dat verbood (deel 3). En had zus Tonia zichzelf nooit gerealiseerd dat John Faber, haar oude leraar Engels, zo'n ideale echtgenoot kon zijn. Het was immers Miek, die hem als tafelheer uitnodigde voor Tonia (alweer deel 3).

In deel 4 kan Minca Miek's taak al een beetje overnemen. Maar dan is zus Emmy er nog. En die vindt haar rust bij Miek. Komt daar ook tot het besef, dat ze als doktersassistente bij Otto moet gaan werken. Trouwt met hem. Otto, de broer van Sylvia, en de eerste liefde van Miek. Waar Sylvia een vriendin van Tonia was en net als Emmy een paar jaar eerder nog dweepten met John Faber. Tussen de meisjes op de middelbare school en de verloving met Tonia ligt slechts een jaar of vier. Dat is niet veel, op een mensenleven.

Miek doet de was, ze strijkt, maakt de kamers aan kant. Ze kookt. Smakelijke schoteltjes als lunch, variaties op bestaande gerechten als avondeten. En ze weet van een eenvoudig maal een diner te maken, als de omstandigheden dat van haar vragen. En in die uren die overschieten, zet ze zich achter de naaimachine of de breipennen. Dusters voor Emmy en Tonia, een sjaal voor broer Bas, een eigen trouwjurk. Een japonnetje voor Minca. IJstenues voor haar zusjes, haar broertje, haar kinderen, haar pleegdochter. Zou ze wel ooit een moment voor zichzelf hebben gehad?

Nou ja, helemaal aan het eind van deel vier, wordt het haar te veel en krijgt ze 'een inzinking'. Het is bepaald erfelijk te noemen. Vader Hogenbirk kreeg er een, na het overlijden van moeder. Broer Remco, na het beëindigen van zijn verkering. Zus Emmy na een verloren liefde. Broertje Karel is zelfs helemaal nooit echt in orde geweest. Maar  Mieke zal er wel weer bovenop komen. Wat moeten we immers zonder haar? Dan waren wij allen reddeloos verloren. 

26 maart 2016

Janneke redt het wel

De vader van Janneke Bloemink is na een lang ziekbed gestorven. Wat hij precies gehad heeft, wordt niet duidelijk. Wel dat moeder ook ziekelijk is, en tobberig van aard. Financiële zorgen heeft de familie Bloemink niet. Maar gelukkig zijn ze ook niet. Moeder zwelgt in haar verdriet en laat de hele huishouding over aan haar oudste dochter Mia van net twintig. Maar Mia gaat trouwen, al helemaal aan het begin van het  verhaal. Met 'oom' Karel een aangenomen zoon van oma Bloemink. Eigenlijk geen echte oom en pas dertig jaar. Daarom kan Mia ook met hem trouwen. Ze verhuizen naar Engeland.

Karel heeft Janneke gevraagd, voorlopig de huishouding te gaan doen. Janneke moet nog zestien worden en heeft haar diploma ULO 3. Verder leren wil ze niet. Misschien in de verpleging. Maar eerst gaat ze, met enige tegenzin, de huishouding van haar moeder doen. Met een werkster en met de hulp van haar zusje Lies, de ene helft van de tweeling. Caro, de andere helft, is niet zo hulpvaardig. De tweeling is dertien jaar. En waar de ene uitblinkt in wijsheid en tact, daar wordt de andere een onstuimige puber.

Janneke maakt kennis met Daan Wichers, haar nieuwe buurjongen. Hij woont samen met zijn vader en een tante, want zijn moeder is overleden. Aan kanker. Ze was eerder ziek, werd geopereerd, maar na een aantal jaren kwam de kanker terug en toen was er niets meer aan te doen. Die mededeling zet Janneke aan het denken. Zou haar moeder, toen ze negen jaar geleden geopereerd werd misschien ook...?

Ze gaat naar de dokter om opheldering. En die geeft toe, dat ook moeder aan kanker is geopereerd. Maar dat zelfs haar vader dat nooit geweten heeft. Het had geheim moeten blijven. Moeder is immers al weer zo lang vrij van kwalen, al bijna tien jaar. En wie tien jaar zonder uitzaaiingen is, die is genezen. Zo dachten ze toen nog over kanker. Je ging er aan dood, tenzij je er op tijd bij was en een aantal jaren in angst had geleefd.

Of moeder definitief genezen is, wordt niet duidelijk. Ook niet, of het komt tot een huwelijk tussen buurman Wichers en haar. Of het misschien wat wordt tussen Daan en Janneke. Of Janneke de verpleging ook werkelijk in gaat of dat dat er niet meer van komt. Hoe het verder gaat tussen Mia en Karel. Zo eindigt het allemaal niet. Wel, met de verklaring van het onaardige gedrag van Caro. Lies en zij blijken aangenomen kinderen en daar is Caro op de bruiloft van Mia bij toeval achter gekomen. En dat je, bij twijfel, altijd bij God te rade mag gaan. Al is dat niet zo duidelijk aanwezig als in bijvoorbeeld de boeken van Max de Lange-Praamsma.

Annie Oostenbroek-Dutschun zou later een schrijfster van streekromans worden. Veel streekromans. Ze werd in stapels tegelijk geleend werd bij de bieb. Ik herken de naam nog, uit de tijd dat mijn moeder ze las. Dikke pillen waren het, met omslagen in aquarel, van Reint de Jonge of Herry Behrens. Steeds weer over die boerenzoon die moet trouwen met een boerendochter, maar een voorkeur heeft voor de notarisdokter. Of andersom. De dokterszoon met de boerendochter. Nee.

Die boeken heb ik altijd maar even vluchtig doorgekeken. Gelezen heb ik ze nooit. Dit deel uit de IRIS reeks dus wel. Ik had het ook binnen een uur uit. Mooi vond ik het niet. Het is, wat boeken wel vaker zijn. Er gebeurt van alles en tegelijk gebeurt er niets. Er staat te veel in, wat allemaal maar even wordt aangestipt. Het was beter geweest, als er wat minder in had gestaan. En dat wat uitvoeriger was uitgewerkt.

10 maart 2016

Ik kan tuinieren

Ook dit deel uit de Ik kan serie heeft een uitgebreide titelpagina, met veel meer gegevens dan er op het omslag worden vermeld. De titel is voluit: Ik kan tuinieren : practisch handboek voor de tuinliefhebber. Practisch met een c, want het is nog 1959. Voor mij ligt de 9e geheel omgewerkte druk. Geïllustreerd met 20 gekleurde platen, 53 zwart-wit platen en 112 tekeningen tussen de tekst. De keerzijde van de titelpagina vermeldt nog, dat de 1e-5e druk EEN GEHEEL JAAR IN DE TUIN getiteld was. Met hoofdletters.

In het woord vooraf wordt uitgelegd, waarom de titel gewijzigd is. De indeling van de werkzaamheden per maand werd behouden maar bekort. Daardoor werd het mogelijk de verschillende onderwerpen die de tuinliefhebber interesseren apart en veel uitvoeriger te behandelen. Dat is dunkt me een voordeel. Aldus de schrijver. Het is, ruim vijftig jaar later, vooral ook een signaal dat het steeds beter ging met Nederland. Dat we meer vrije tijd kregen en dat we minder hard hoefden te werken. Dat tuinieren ook een hobby kon zijn en niet alleen een noodzaak. Vandaar ook de vrolijke dame in overall op het foto omslag.

Het eerste hoofdstuk heet ook hier Een heel jaar in de tuin. Bekort is een wat bescheiden omschrijving voor het rigoreuze snoeiwerk, dat de auteur heeft uitgehaald, om in de stijl van het tuinieren te blijven. Het is slechts 21 pagina's van de in totaal 334 pagina's lang. Wat er voor teruggekomen is, zijn dus de verschillende onderwerpen die de tuinliefhebber interesseren. Soorten tuinen, elk in een apart hoofdstuk. Planten en bloemen, in soorten en maten, over hun verzorging. Een schaduwtuin. De moestuin, het kruidentuintje. Kolossale tuinen en balkontuinen.

Ook dit boek moet een fortuin gekost hebben, destijds. En ook nu vraag ik me af, wie het destijds kocht. Wie het in de jaren zestig op zijn of haar gemak doorbladerde, om het dan ter zijde te leggen. Zich in overal en makkelijke schoenen te hijsen - zo in je daagse kloffie, dat was zonde - en dan vervolgens praktisch toepaste wat hij of zij daarvoor nog had gelezen. Want tuinieren met zo'n boek er naast, dat deed je niet. Ook dat was zonde. Van het boek.

Het geheel eindigt met een register, dat een korte uitleg vooraf heeft. De cursieve cijfers verwijzen naar de bladzijden waar de tekeningen tussen de tekst staan; de Romeinse cijfers geven de nummers der zwarte en gekleurde platen buiten de tekst aan. De nummers der zwarte, ja. Terwijl het toen toch al lang 'de nummers van de zwarte' was. Maar ja. Misschien was dat wel om aan te geven, dat je een voornaam boek in handen had. En daarom dus voornaam moest worden aangesproken. In je eigen boek. Een kostbaar bezit. En dat het van jou was, bewijst de tekst, die op de keerzijde van de eerste, meer bescheiden titelpagina. DIT BOEK BEHOORT AAN. Gevolgd door een stippellijntje. Daarop heb ik mijn naam gezet, gevolgd door de datum van aanschaf, zoals ik dat altijd doe. Ik bezit het sinds 24 april 2011. En ik hou het ook nog wel even in bezit. De Ik-kan serie is absoluut een van de beste weerspiegelingen van die tijd. Geïllustreerd met platen, in kleur en zwart wit, en vele tekeningen tussen de tekst.


 

24 februari 2016

Lekker eten - eenvoudig koken

Deze Elsevier Pocket is weer een leuke uitdaging voor het vak 'titelbeschrijven' dat ooit op de bibliotheekopleiding werd gegeven. Omslag, titelpagina en rug, het luidt allemaal net iets anders. Wat dit in elk geval is? Een handzaam boekje met een kleurige jaren zestig omslag. En behalve veel genummerde recepten, in hoofdstukken verdeeld en per hoofdstuk een aparte, alfabetische index, staan er ook een paar overwegingen van de schrijfster in. Die zijn 'om te smullen'. Om in stijl te blijven.

Neem nou het hoofdstuk Hoe kookt de moderne gastronoom. Daarin wordt uiteengezet hoe zeer de manier van koken afwijkt van die van 25 jaar geleden. In het geval van deze pocket was dat dus nog vóór de Tweede Wereldoorlog. Er worden gerechten opgesomd, die toen populair waren, maar 'nu' nauwelijks meer opgediend worden. Kijk, afgezien van de kosten ligt de zaak toch wel zó dat wij huisvrouwen overbelast zijn, zo luidt de verklaring van dat fenomeen. Een Aaltje of Mientje achter ons formuis, met haar fijne witte mutsje op, haar zwarte japonnetje en haar zwarte wollen kousen, behoort tot een haast niet meer te geloven legende. Inderdaad. Maar Aaltjes en  Mientjes waren ook vóór de oorlog niet gangbaar, hoor. Ik ken ze eigenlijk alleen uit de boeken van Cissy van Marxveldt. De meeste huisvrouwen uit de jaren dertig zorgden zelf voor het eten, het poetsen, de opvoeding.

Ook het hulpvaardige, alles voor ons opknappende meisje in huis, die het ons huisvrouwen vroeger mogelijk maakte om uitgebreid en weloverwogen te winkelen en dan net zo lang in de keuken te gaan kokkerellen als we wilden, behoort tot het grijze verleden. Dat soort meisjes, daar heb ik inderdaad meer verhalen over gelezen. Toch is het nooit zo geweest, dat de gemiddelde Nederlandse huisvrouw zich zo iemand standaard kon veroorloven. In de jaren vóór de oorlog was het crisis. Zo'n hulp in de huishouding moet toch al snel luxe zijn geweest. In de latere delen van Goud-Elsje komt het niet kunnen vinden van een meisje nog wel eens ter sprake. Of gaat het er over vrouwen die 'uit zuinigheid eigenlijk alles alleen doen'. Maar dan zitten we al in de jaren vijftig.

Ook dat was dus allemaal toen. 'Nu' moet moeder de vrouw het allemaal zelf doen. Voor echt, uitgebreid koken is niet veel tijd meer over en dus is het zo handig, dat er 'tegenwoordig' allemaal zo veel diepvries- en blikproducten te koop zijn. Het bespaart veel tijd en is net zo goed als vers. Naar maatstaven van het echte nu, dus opnieuw vijftig jaar later, duurt het allemaal nog veel te lang. En o, wat is het toch weer allemaal vet. Alles met een sausje, gebakken in de boter, royaal voorzien van olie en soms zelfs alle drie. Het waren de jaren zestig, het kon niet op. Letterlijk.

Elsevier moet een gedegen uitgever zijn geweest. Zelfs van een pocketkookboek als dit werd nog een naslagwerk gemaakt. Het is een chronologisch overzicht van gerechten, met tussendoor alfabetische indexen die verwijzen naar genummerde recepten. Waarom een chronologische lijst met nummers, die vervolgens op alfabet worden gezet, vraag ik me als informatiespecialist af. Misschien dat een huisvrouw zo een recept makkelijker kon onthouden. Zodat ze het, als het bij haar heer gemaal en hun gezin in de smaak viel, nog eens kon maken. Het geheel eindigt met een grote, overkoepelende index, ook weer op alfabet met verwijzingen naar receptnummers.

Ik bezit lijvige boekwerken uit die tijd, die zichzelf 'Encyclopedie' noemden, die heel wat beroerder zijn in structuur en opbouw, dan deze pocket. Wat dat betreft is dit kookboekje fenomenaal.