13 september 2014

Ankie's moeilijke jaar

Het boek verscheen in 1958. Arja Peters schreef het onder zo ongeveer haar eigen naam, Chinny Erling, in plaats van Chinny van Erven. Vier jaar later zou ze het verhaal over Ankie bijna letterlijk overnemen voor het achtste deel uit haar Olijke Tweeling serie, die ze onder haar pseudoniem schreef. De olijke tweeling op zaal negen. Dat verhaal las ik als kind. En herlas het daarna zo vaak, dat ik het nu nog uit mijn hoofd ken. In 2004 kocht ik dit verhaal over Anja. De Olijke Tweeling werd uitgegeven door De Eekhoorn, dit verhaal verscheen bij West-Friesland. Misschien dat het daarom nooit is opgevallen, die vele overeenkomsten. Had ze beide verhalen zo kort na elkaar bij dezelfde uitgever laten verschijnen, was het vast wel opgevallen.

Het enige verschil is dat Ellis en Thelma met zijn tweeën ziek zijn en naar een sanatorium moeten en Ankie alleen. En dat het verhaal over de tweeling wat eerder in het ziekteproces start. Waar zij beginnen met een griepje, daar begint het verhaal van Ankie al meteen met haar tocht naar het sanatorium. Een identieke beschouwing van de lente-vanuit-het-slaapkamerraam, in beide gevallen. Want hoe lang zal het nog duren voor Ankie / Ellis en Thelma dit weer zullen zien? Wanneer zullen we weer thuis zijn?

Beide keren wordt het zaal negen, met beide keren een rondedansje wanneer er een zuster nachtdienst heeft, die nogal populair is.
Twee keer valt te lezen over een spelletje op zaal, waarbij nogal wat lawaai gemaakt wordt, met de angst om betrapt te worden.
Beide keren een ziek meisje, dat na overmatige inspanning overlijdt. Bij Ellis en Thelma is het doordat het meisje in kwestie haar bed uit komt, bij Ankie doordat ze een watergevecht hebben gehouden. In allebei de verhalen het schuldgevoel. Ze is toch niet door onze schuld overleden? Bij allebei de verhalen huilende zusters. In beide gevallen het plezier van een hond, die zo maar op zaal komt en moet worden verstopt. Bij Ellis en Thelma is het hun eigen Spikkel, bij Ankie een aanlopertje.

Het verhaal van Ankie bevat maar één illustratie, op de keerzijde van het omslag. Het verhaal van de Olijke Tweeling had er meer. Het omslag van Ankie is mooier en met meer details afgewerkt, dan dat van de Olijke Tweeling. Ankie is ook wat jonger in het verhaal da Ellis en Thelma, hoewel Hans Borrebach ze er alle drie ouder heeft laten uitzien dan ze in werkelijkheid waren. Maar dat was nou eenmaal zijn handelsmerk.

Van de verhalen van Chinny Erling / Arja Peters werd in recensies wel gezegd, dat het te merken was, dat ze afkomstig waren uit 'een veel-schrijfpen'. Dat is in dit geval zeker waar. Het is gewoon een kopie. Maar wie weet, was het toen ook de uitgever die om een nieuw deel Olijke Tweeling verzocht. Omdat het zo goed liep. En heeft Chinny destijds eerlijk gezegd, dat ze wat uit een ander verhaal had overgenomen. Kennelijk heeft West-Friesland Eekhoorn niet beschuldigd van plagiaat. Het mocht gewoon uitgegeven worden. Al is het verhaal van Ankie nooit meer herdrukt. Dat van de Olijke Tweeling wel. Meer dan twintig keer zelfs. Tot ver in de nieuwe eeuw. Veel-schrijfpen schrijfsters overleven de tand des tijds blijkbaar.


31 augustus 2014

Beter smalfilmen

De derde druk kocht - of kreeg - ik in 1998. De aanschafdatum die voorin staat is ook mijn verjaardag. Ik weet niet meer of ik een kadootje heb gehad of het zelf kocht, die dag. In 2010 voegde ik de tweede druk van hetzelfde boek aan mijn verzameling toe. Het is altijd leuk om verschillende drukken naast elkaar te leggen en te vergelijken. Tussen deze twee edities van Beter smalfilmen zal een jaar of tien zitten, denk ik.

De tweede druk is van begin jaren zestig. Op het omslag een dame uit die tijd met een cocktailglas in haar ene en een brandende sigaret in haar andere hand. Ze kijkt dromerig naar het beeldscherm, dat niet te zien is. Achter haar staat een filmprojector te draaien. Niet zo verstandig om daar bij te roken, want film was brandbaar. Maar goed.Op de derde druk, van begin jaren zeventig, een jonge moeder die haar peutertje filmt, dat eendjes aan het voeren is. Iets minder in scene gezet. Zo zal het in die tijd wel gegaan zijn.

Op de tweede druk staan, eveneens op het omslag, een aantal trefwoorden uit het boek vermeld. Waar het in de tweede druk nog 8- en 16-millimeterfilmen, hoe het niet en wel moet, heet, daar is het in de derde druk super-8 geworden. De techniek had zich verbeterd. Dat blijkt ook uit de inhoud van het boek. Die is nagenoeg identiek. Maar aan de derde druk zijn wat nieuwe dingen toegevoegd, zoals in het hoofdstuk Filmen bij kunstlicht, De kwartsjodiumlamp of sun-gunn. Werkelijk het einde voor het montagewerk, aldus de schrijver. Maar niet met je vingers aankomen, want een beetje lichaamsvet en het verbrandt.

En beide boeken hebben een voorwoord van überfilmer Bert Haanstra. Dat zegt alles over de tijd, waarin het werd uitgegeven. Wie Bert Haanstra niet kende, kocht dit soort boeken ook niet. 

Op de keerzijde van het omslag staat bij de tweede druk te lezen wat er nog meer in de hobby-serie is verschenen. Electriciteit voor iedereen. Radio voor iedereen. Chemie voor iedereen. En een paar titels van de onvolprezen Hans Borrebach: Betere kleurenfoto's maken. Portretfoto's in kleur en zwart-wit. Allemaal mannen-titels. Vrouwen hadden blijkbaar geen tijd voor een hobby.

Op de achtergrond van de derde druk een foto van de auteur in actie. Hans Koekoek vindt van zichzelf dat hij alleen met een camera gebeurtenissen kan noteren, die hij met geen pen zou kunnen beschrijven. Iets wat de uitgever tegenspreekt. Overigens vinden wij dat Hans Koekoek best met zijn pen overweg kan, zo staat er. In dit boek ziet hij kans om zonder omhaal van woorden van een camera-bezitter een filmer te maken.

Zo ging dat toen, in de jaren zestig en zeventig. Veertig, vijftig jaar later doe ik hooguit nog een poging met mijn digitale camera. Onze videocamera ligt al zeker tien jaar te verstoffen in de kast. En een super 8 of 16 millimeter? Die heb ik nooit gehad. Al bestaan er nog wel filmpjes waar ik op sta, als klein meisje. Nee, ik voerde er geen eendjes op, maar het zou zo gekund hebben.

14 augustus 2014

De familie Trapp

Het verhaal van de échte Sound of Music. De film werd gebaseerd op de gelijknamige musical, die op deze autobiografie werd gebaseerd. Nu ken ik de film uit mijn hoofd, maar heb ik de musical nooit gezien. En had ik tot voor kort het boek ook nog nooit gelezen. Ik kocht dit boek onlangs voor een bescheiden prijsje. En las het direct. Het leest goed weg. Maar misschien had ik het beter niet kunnen doen. Want ik heb gewoon teveel Christopher Plummer, Julie Andrews en zeven Amerikaanse kindertjes die voor Oostenrijks door moeten gaan in mijn hoofd zitten, om die niet steeds voor ogen te hebben, tijdens het lezen.

De 'echte' Maria von Trapp  leefde nog toen musical en later film van haar boek over haar familie werden uitgebracht. Ze was er niet zo gelukkig mee. Iets wat ik helemaal begrijp, nu ik ook het boek ken. Want, zoals zo vaak, is het echte verhaal veel meer dan een sprookje. De musical mag dan misschien nog een bewerking van het boek zijn, de film is eerder weer een bewerking van de musical en niet meer dan dat.

Voor wie de film niet kent: Maria, een jonge non, gaat als gouvernante voor een weduwnaar met zeven kinderen zorgen. Ze leert hen zingen en trouwt met de weduwnaar, die kapitein op zee is geweest. Dan heb je driekwart van de film gezien. Meestal zet ik m daar ook af. Er zit nog een stukje Anschluss bij, waarin het gezin er in slaagt om via de bergen naar het vrije Zwitserland te vluchten. The End.

Het verhaal is heel anders. Er zijn weliswaar zeven kinderen Von Trapp, maar die hebben geen gouvernante nodig. Eén van hen heeft een onderwijzeres nodig, en dat wordt Maria. Ze is in werkelijkheid jonger dan in de film. De kapitein is geen arrogante boeman en de oudste kinderen studeren al, als ze bij hen in huis komt. Als Maria met Georg trouwt, zijn we pas halverwege het verhaal en is het ergens achterin de jaren twintig. De crisis wordt beschreven. De familie moet mensen in huis nemen om te kunnen overleven. Via economische maatregelen krijgt Hitler Oostenrijk steeds meer in zijn macht. En uiteindelijk kapituleert Oostenrijk dan ook. Het land wordt nationaal socialistisch. En het gezin Von Trapp, wat intussen met twee meisjes is uitgebreid, moet er mee leren leven, wat ze niet gemakkelijk afgaat.

Ze belanden nog net op tijd in Amerika, waar ze zonder geld en onderdak opnieuw moeten beginnen. Maria heeft inmiddels een nierkwaal opgelopen, die haar al op het randje van de dood heeft laten balanceren. Ze raakt opnieuw zwanger, en ditmaal wordt het een jongen. Ze gaan weer op tournee, komen in betere doen. In Europa woedt de oorlog en volgt daarop de bevrijding. De familie richt een stichting op, om de Oostenrijkers te helpen. Ze worden genaturaliseerd tot Amerikanen. De oudste kinderen verloven zich. En tot slot sterft Georg aan longkanker. Opgelopen, zo blijkt, tijdens zijn duikboot tijd in de Eerste Wereldoorlog. Dan is het 1947. Het verhaal eindigt met een nieuw familiehuis, in Amerika.

Alles bij elkaar zou dat misschien ook wel wat veel zijn geweest voor in een film, zo'n verhaal. Dan was het vast niet zo'n succes geworden. In het boek komt ook geen barones voor, als huwelijkskandidaat, speelt het kloosterleven nauwelijks een rol, is er geen telegrambezorger die verliefd wordt op de oudste dochter, geen oom Max en geen echte talentenjacht. En tussen de huwelijksreis en de Anschluss zat in werkelijkheid een jaar of tien en geen twee weken. Behalve dat er veel van het oorspronkelijke verhaal is weg gelaten, is er aan de andere kant dus ook nog veel bij bedacht, om het verhaal nog wat mooier te maken.

Ik hield er zo maar een kater aan over, na het lezen van het verhaal. Ik denk niet dat ik het nog eens ga lezen, dit boek. Al zal ik het niet weg gooien. Voor de verzameling is het leuk om te bewaren. De film zal ik vast nog wel eens vaker gaan zien. Zelfs al ken ik m al uit mijn hoofd. Dat is gewoon heel leuk voor een regenachtige dag in augustus. Of mei. Of met Kerstmis. Of Pasen. Of wanneer dan ook.
The hills are alive....

05 augustus 2014

De naslagkast van de bieb

Afgelopen zondag was het weer boekenmarkt in Deventer. Ik bezoek de grootste boekenmarkt van Nederland sinds 1992 bijna elk jaar. Het is al lang niet meer de schatkamer van vondsten die het vroeger was. Daarvoor hebben Marktplaats, Ebay en Qoop te goed hun best gedaan. Op die eerste zondag in augustus staan nog steeds honderden kramen langs de IJsselkade en door het centrum, maar veel vinden doe ik er niet meer. Er zijn veel kramen met boeken die niemand meer wil hebben. De boeken van Kameleon, Pinkeltje, Arendsoog, stripboeken van Suske en Wiske, ze raken het aan de straatstenen niet meer kwijt. De heren antiquariaathouders blijven het echter toch proberen. Ik struikel er elke keer weer over.

De reden waarom ik toch nog heel geregeld ga, is de bieb. Bibliotheek Deventer houdt ook elk jaar uitverkoop, op die eerste augustus. Daarvoor moet je een heuse kelder in, voorzien van een eng, stijl trapje. Het is er vochtig en er zijn heel veel boeken. Overzichtelijk gerubriceerd. Er zijn niet alleen afgeschreven bibliotheek-exemplaren, maar ook gewone tweedehands boeken, zonder stickers. In kasten van grond tot plafond. Fictie en non fictie, voor de jeugd en voor volwassenen. Tijdschriften, van alle jaargangen, los en ingebonden. Naslagwerken.

Bij die laatste kast bleef ik dit keer hangen. Er waren woordenboeken, delen van woordenboeken. Van Dale en Koenen, maar ook gewoon Prisma en de voorloper van de Hoe en wat in het... serie.
En er waren veel naslagwerken in de o ja categorie. De naslagwerken die ik moest leren op wat toen nog de opleiding Bibliotheek en Documentaire Informatieverzorging heette. Ik moest er niet alleen in kunnen zoeken, ik moest ook details van de boeken weten. Voor later, als ik op de Inlichtingenafdeling van de bibliotheek zou komen te werken. Waar ik nooit heb gezeten, maar dat wist ik toen nog niet.

Toen, dat was begin jaren negentig. Toen internet er al wel was, maar niet voor de gewone sterveling. Pas in mijn afstudeerjaar, 1996, werd er voorzichtig geëxperimenteerd met inbelverbindingen. Voor wetenschappelijke doeleinden, literatuuronderzoek en zo meer. Maar omdat het telefoontikken waren, was surfen er nog niet bij.

Ik zag de drie oranje en blauwe banden van het ABC van Handel en Industrie. De ook al blauwe en jaarlijks verschijnende Staatsalmanak. Een paar bandjes uit de gele wetboekenserie van Schuurman en Jordens. Het Handboek van de Nederlandse pers en publiciteit. Verschillende jaargangen door elkaar. Nu ook online! stond er bij wijze van wervende tekst, in rood op de rug van een van die handboeken gedrukt.

Dat moet ergens rond de eeuwwisseling zijn geweest. Dat was wat, dat zo'n officieel naslagwerk, met haar professionele redactie nu ook een doorzoekbare website had gekregen. Dat zoiets evengoed een betaald abonnement was, werd er natuurlijk niet bij vermeld. En dat je als organisatie vaak verplicht ook een online abonnement moest nemen tegen meerprijs, waar je voorheen volstaan kon met alleen de papieren editie, werd ook verzwegen.

Hoe veel van die naslagwerken zouden nu nog op papier bestaan? Hoe veel zouden er blijvend zijn omgezet naar een online variant? Er blijken er nog een aantal te vinden te zijn, anno nu. Tegen betaling? Zo ver heb ik niet doorgeklikt. Maar hechten we anno nu nog wel waarde aan een professionele redactie, die elk jaar een boek op een bepaald vakgebied uitbrengt, voorzien van adressen, begripsomschrijvingen en indexen daarop? Of googlen we ons een slag in de rondte, foeteren we soms dat we van alles vinden maar niet dat wat we zoeken, maar zijn we er mee tevreden?

Ik wel. Ik zeg het eerlijk. Want het gaat sneller dan zoeken in een index en het kost me bovendien geen abonnement op zo'n naslagwerk, dat elk jaar verscheen, maar nauwelijks werd ingekeken.
Tijden zijn veranderd. Ik ook... :-)

27 juli 2014

Rondom Holten ligt de wereld

Het landgoed ligt niet ver van de hoofdweg, zo begint hoofdstuk 1, tussen Hallum en Eerlo. Plaatsen die niet bestaan, maar wel Achterhoeks klinken. En het behoorde aan de ook al niet bestaande baron Aerlandt van Eerlo, die het verkocht aan ene meneer Holten, die er De Holterburcht van maakte. Een middelbare school met internaat voor jongens en meisjes, die geen eigen thuis bezitten of daar niet wonen kunnen, om de een of andere reden, aldus de omschrijving.

Eénmaal in het verhaal lijkt de schrijfster zich te verspreken. Dan heeft een van de karakters in het verhaal het ineens over dat vervelende Beuningen. Wat wèl een bestaande plaats is. Twee plaatsen, zelfs. Een grote plaats en gemeente in Gelderland, en een kleine plaats in Overijssel, waar het tot de gemeente Losser behoort.

Beuningen Gelderland, dat ken ik. Ik groeide op in die regio. In de buurt is weliswaar een groot landhuis, maar het ligt niet in Beuningen zelf. Bovendien was dat al in de jaren vijftig niet zo landelijk meer. In Beuningen, Overijssel, is volgens Wikipedia Borgbeuningen te vinden. Een havezate, of wel een versterkt huis of burcht. Dat zou best nog wel eens model kunnen hebben gestaan voor de Holterburcht.

Wie er in het verhaal voorkomen, wordt op de eerste pagina al duidelijk. Er is namelijk een lijst met personen opgenomen, voor het verhaal van start gaat. En dat is nodig ook. Victor Marits, directeur, Miss Wall, lerares Engels en Nancy van Brederode, haar assistente. Enkele leerlingen van de meisjesklas 5a en de jongensklas 5b. Ten slotte nog wat familieleden.

Zes delen bevat het boek. En wat gebeurt er nou eigenlijk? Niet veel. Een hoop geharrewar, tussen de meisjes onderling, tussen de meisjes en de jongens, tussen de meisjes en hun families, met de lerares Engels, maar zelden met Nancy. Er moeten toch ook nog eerste, tweede, derde en vierde klassen zijn. Een internaat heeft meer personeel dan alleen een directeur. En op een school krijg je les in meer vakken dan Engels alleen. Daar lees je allemaal niets van.

Er wordt even gestipt aan de gezinssituaties, gestipt aan de liefde, verliefdheid, spijbelen en andere verboden uitgangetjes. Maar niet meer dan dat. Het verhaal wordt nergens echt goed. Ja, op de laatste pagina blijkt Nancy ineens met de directeur getrouwd. Dat zag je op de eerste bladzijde al aankomen. Nancy is een wondermiddel. En uiteraard gaat de lerares Engels met pensioen. Wie er verder nog werkt, wat alle lagere klassen doen, je komt het als lezer niet te weten. De vijfde moet een HBS klas zijn geweest, want ze hebben tegen het einde van het verhaal ineens allemaal examen gedaan. En zijn allemaal geslaagd ook. Wat ze dan gaan doen, wordt niet verteld. Wel dat ze de Holterburcht hebben verlaten. En dat er nieuwe leerlingen zullen komen. Dat is het dan.

Geen spanning, geen mooie omschrijvingen van emoties, of de natuur. Geen echte vriendschappen of warme familiebanden. Alles even oppervlakkig. Maar goed om te bewaren, als deeltje uit de Zonnereeks. Met illustraties van Borrebach. Het gaat terug de kast in, dus. Niet bij het oud papier. Om de verzameling. Maar niet om het nog eens te lezen.

09 juli 2014

The Heartbreakers: videoclip in Venetië

Het verhaal is, volgens de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek, uit 1990. Heel erg uit 1990, zou ik er aan toe willen voegen. Die titel alleen al, is veelzeggend. Want welk jong meisje zou er nu nog een boek willen lezen over een meidengroep die een videoclip gaat opnemen? Dat was toen heel wat, hoe mooier hoe beter. Maar nu spreekt het al zo lang voor zich. Dat doet iedere artiest. Al zullen ze dat niet allemaal in Venetië doen. Maar dat komt door hun nieuwste single, die Italian Love Affair heet.

Over een paar maanden kwam de C.D. uit, zo staat er op pagina 7 te lezen. Nog zo'n leuk tijdsbeeld. C.D, van Compact Disc, nog met puntjes tussen de beide letters. Als je die een mocht opnemen, als band in 1990, telde je mee. Een bijzonder feit, dat zelfs als tekening tussen de tekst op de achterkant is opgenomen.

In deze prachtige stad, zo staat er verder te lezen, lopen de problemen tussen zangeres Roanna en manager Thierry steeds meer uit de hand. Debbie, invalster van de ziek geworden drumster Sharon, gaat meteen achter Thierry aan.
Debbie heeft geblondeerd haar en veel te veel make up. Een teken, dat ze niet geliefd is en ook niet zal worden. De auteur geeft haar niet populaire personages, die gaan stoken in alles wat eerst goed was, vaker zo'n uiterlijk mee. En ook hier komt de dame tot inkeer, ergens tegen het einde van het verhaal, wanneer ze inziet, dat de meidengroep niet op haar zit te wachten, en ook de mannen in haar buurt verliefd worden / zijn op de Heartbreakers en haar niet zien staan.

Een paar pagina's is het dan nog het probleem wie Debbie gaat opvolgen, want Sharon was ziek. Maar ook dat valt mee, want, ze was dan wel oververmoeid, maar had vooral heimwee naar Rámon. En nu ze die terug heeft, kan ze er weer tegenaan. Ramón en Sharon, je zou het niet bij elkaar bedacht hebben. Roanna heeft na een paar misverstanden om een vrouw voor de derde keer toch Thierry weer terug. Want voor Debbie was het al Desirée met wie ze overhoop lag, omdat ze achter haar Thierry aan zat. Weinig eergevoel heeft ze, die Roanna. Een kerel die je toch met twee vrouwen bedriegt, hoef je toch niet meer terug.

Verder heeft Charlie heeft haar Stefan, Cindy haar Roberto. Alleen Dorith en  Olga zijn nog niet voorzien. Misschien was daar nog een vierde deel voor nodig geweest. Maar dat is er niet meer van gekomen. Een oppervlakkig, ireëel, romantisch verhaal, aldus de recensie.  Prententieloze ontspanningslektuur die echter voor een nog grote groep meisjes aantrekkelijk blijkt te zijn. Ja. De recensenten herhalen zichzelf ook, net zoals de schrijfster. Die zure professionele boeklezers lijken maar niet te willen inzien, dat meisjes dit soort verhalen gewoon graag lezen. Ook al is het dan volgens hen zo, dat De liefdesintriges (ook van andere meisjes die behoren tot de groep) zeer zwak zijn uitgewerkt en weinig verrassend. Aan karaktertekening is nauwelijks aandacht besteed.

Dat maakt niks uit. Dat deed het in 1990 niet, dat doet het nu anno 2014 nog steeds niet. Dit soort verhalen deden het goed, doen het goed en zullen dat ook altijd blijven doen.

02 juli 2014

Auto's en hun typische eigenaars

Zijn die er eigenlijk nog wel? Mensen waarvan je het vermoeden hebt dat ze wel in Automerk Zus, type Zo rijden? Tegenwoordig lijken alle auto's op elkaar en is er alleen nog maar een onderscheid in kleur en grootte. Oudere auto's, ik herken merk en type vaak al van een afstand. Maar die nieuwe, karakterloze prut, nee. Dit boekje is uit '99. De auto's die er in worden besproken gemiddeld een jaar of tien ouder. Erg leuk. Grappige tekeningen, raak geschreven. Het had, wat mij betreft nog veel dikker mogen worden. En helaas kan ik ook nergens een deel 2 van dit werkje vinden. Misschien heeft de schrijver wel hetzelfde vermoeden als ik. Er zijn gewoon geen auto's met typische eigenaars meer.

Maar hier, in dit boekje vol 'herkenbare vooroordelen', aldus de recensie, komen er dus een aantal voorbij. Herkenbaar, ja, allemaal. En dankzij de illustrator weet je ook meteen welke auto bedoeld wordt. Want ze worden heel duidelijk neergezet. Bovendien weet de schrijver zelf ook aardig wat van auto's af. Eigenlijk moet je het gewoon zelf zien te krijgen, want het laat zich bijna niet omschrijven, dit boekje. Maar goed. Ik doe een poging.

Op elke linkerpagina staat het merk en model auto, met een omschrijving van de kleur, het bouwjaar en een opgave van de kilometerstand. En daaronder een rake tekening. De Citroën 2CV, staat er bijvoorbeeld in. Die is, aldus de schrijver, matgroen met nog matter geel van kleur, van bouwjaar 1977 en de kilometerstand luidt: teller is blijven staan op 264.000.
Rechts staat steeds de naam, leeftijd, het beroep en de woonplaats van de eigenaar. Meestal al heel cliché, maar daardoor erg grappig. De eend is van de 23-jarige Floris Jan van Bierhijssen, die, inderdaad student is en, gezien zijn dubbele naam, uiteraard in Leiden woont. Floris Jan rijdt met z'n eend al jaren langs de kapper, maar is er nooit binnen geweest, zo begint de omschrijving van de eigenaar.

De Mercedes van Henk Groot Abbink staat er ook in. Die woont, gezien zijn naam, inderdaad in Almelo en is, aangezien zijn auto van het type 300 D is, uit 1992, met een kilometerstand van 380.000, vanzelfsprekend koppelbaas van beroep. Henk heeft als hobby motorcross en is een verwoed supporter van Heracles. Hij rijdt altijd veel te hard en ontvangt dan ook regelmatig post uit Leeuwarden. 

En wat te denken van de Citroën DS Break uit 1968 van de 44-jarige Harrie van Gutsen, leraar handenarbeid op een Montessorischool, die altijd gekleed is in een lang grof gebreid vest met grote knopen. Hij heeft een oude, bruine leren schooltas die van hetzelfde bouwjaar is als zijn oude snoek. 

Jan-Riekes Hardering staat er in, met zijn Opel Kadett GSI. Een agrariër uit Barneveld, die helemaal gek is van Normaal en als hij niet met zijn vrienden aan het høken is, bugel speelt in de plaatselijke fanfare BOM (Blaast op Maat).

Dames kunnen ook zo hun voorkeuren hebben. Kimberly, zeg maar Kim, uit Nieuwegein, met lang geblondeerd haar, coupe Benidorm, rijdt in een mintgroene Suzuki Vitara en draagt dag en nacht een te klein Jane Fonda-pakje. Ik vraag mij wel eens af, aldus de schrijver, of je bij het halen van het vakdiploma fitness-beauty- en zonnestudio gratis een Suzuki Vitara krijgt. Want het kan toch geen toeval zijn, dat al die dames in zo'n auto rijden.

Tot slot, Miep van Straten-van Lanen, uit het Friese Olderbekoop. Minister van Verkeer en Waterstaat, in een Ford Scorpio 2.9 I Ghia, die zich met chauffeur laat verplaatsen. Ze zegt dat ze als hobby's snert koken en fierljeppen heeft. En stiekum kijkt ze naar Jerry Springer, als de kinderen naar bed gaan. En o ja, op de tekening lijkt ze verrassend veel op Annemarie Jorritsma, de toenmalige minister van V&W. Maar dat is toeval, want dat staat voorin het boekje. Dat gelijkenis met bestaande personen op toeval berust.
Tegelijkertijd zijn ze, aldus het omslag, buurman, collega, baas en schoonzuster. Ze staan er allemaal in.