05 november 2013

Het kamp op de boerderij

De IRIS REEKS, - met hoofdletters geschreven - is, aldus de binnenzijde van het omslag, een reeks van 'fleurige meisjesboeken'. Fleurig als in, bloemen. Een Iris is een bloem. Net als een Zonnebloem. Kluitman had een 'jonge meisjesboeken' reeks onder die naam, met boeken die geïllustreerd werden door Hans Borrebach. Iets dergelijks moet uitgeverij Kok in Kampen dus hebben gedacht, toen zij hun Iris reeks introduceerden. Het leek op Zonnebloem, en was voor dezelfde doelgroep. Dat zetten ze wel niet op de titelpagina, maar blijkt uit de inhoud. Want, ook al net als Kluitman, geven zij elk hoofdstuk een pakkende titel mee, die de inhoud al een beetje omschrijft. Zodat je als lezeresje weet wat er komen gaat.

Het kamp op de boerderij is het twintigste en laatste deel, wat op het omslag wordt vermeld. Geschreven door Trudy Rietveld, een naam, die ik nog niet eerder had gehoord. Uitgeverij Kok was van protestants-christelijke inslag, dus er komen fragmenten in de bijbel voorbij. En voor mooie, goede dingen wordt gedankt. Er wordt gebeden voor en na elke maaltijd op het kamp. Er wordt naar de kerk gegaan op zondag, in de bijbel gelezen. Er wordt vriendschap gesloten met de dominee van het dorp, waar het kamp wordt gehouden. Een van de leidsters, die 'juffies' genoemd worden, lijkt zelfs verliefd op hem te worden. Maar omdat het verhaal beschreven wordt vanuit het perspectief van de kleinere meisjes, wordt dit gegeven niet echt verder uitgewerkt.

Iets bijzonders, een soort rode draad, wat het boek tot een spannend, boeiend verhaal maakt, is er eigenlijk niet. Het is meer een verzameling losse hoofdstukjes. Alsof het eerst in een weekblad voor meisjes heeft gestaan, als vervolgverhaal. Het gaat vooral over Nelleke, maar ze is niet alleen hoofdpersoon in het verhaal. Want het gaat ook over Gerda, Frieda, Leonie en Annelies. Ze maken kennis met elkaar, richten het kampterrein een beetje in naar hun smaak, gaan naar het dorp, de kerk, studeren lekespelen en menuetten in, vieren een verjaardag en houden vossenjacht. Kortom, ze zijn op kamp. De schrijfster kon best zelf wel eens een 'juffie' geweest zijn.

Hans Borrebach maakte niet alleen het omslag, hij verzorgde ook de verschillende illustraties in het boek. Kindvrouwtjes met heel korte broekjes, lange benen, een gracieuze houding en een blouse die steeds net een knoopje te ver open staat, zonder dat er een hemd te zien is. Kortom, echte Borrebach meisjes. Mondain, om maar eens een woord uit die tijd te gebruiken. Maar absoluut niet passend bij dit toch wel stichtelijke verhaal. Kennelijk vond Kok, dat het er wel mee door kon. Tekeningen en omslag zijn bijna wulps te noemen, en dat voor een protestants christelijke uitgeverij. Rie Reinderhoff had het vast beter begrepen.

Maar misschien dacht uitgeverij Kok nog wel iets verder door. Veel uitgeverijen wilden in de jaren vijftig en zestig Borrebach voor hun illustraties van de meisjesboeken, zo staat in de vakliteratuur beschreven. Want meisjesboeken verkochten goed. En als hij nou ook nog de illustraties verzorgde, was de kans op succes nog eens zo groot. Borrebach heeft gehoor aan het verzoek gegeven. Ook voor de andere negentien delen uit de Iris reeks heeft hij de meisjes een gezicht gegeven. Het staat zelfs onder het lijstje op de keerzijde van het omslag.

15 oktober 2013

Op de bres voor Manege Picadero

Opnieuw twee verhalen - in - een, over het wel en wee van de manege. En, als je het mij vraagt, ook dit keer weer meer op verzoek van de uitgever geschreven, dan spontaan door de schrijfster aangeboden. Als ik Helen Taselaar was geweest, had ik het bij één verhaallijn gehouden, in plaats van bij deze twee. Want het gaat zowel over een kamp, waarin de liefde voor het leven wordt gevonden, als de bedreiging van het voortbestaan van de manege.

Dat kamp hebben we al eerder gelezen. Het verschil is dat deze Annika Sanders en Jelle van Meerkerk, in het verleden al een relatie hadden gehad, waar Annika destijds een punt achter zette. En dat ze elkaar nu, als begeleiders van het kamp, opnieuw tegenkomen. Jelle doet behalve aan paardrijden ook aan bergbeklimmen. Dat vindt en vond Annika zo gevaarlijk, dat ze niet met Jelle verder wil, ten minste, niet zo lang hij de bergen wil blijven bedwingen. Na het kamp gaat Jelle op vakantie. En even, heel even, lijkt hij verongelukt te zijn in diezelfde bergen, maar dat blijkt al snel een misverstand. Annika en Jelle vallen elkaar dolgelukkig in de armen.

Annika woont samen met Thea in een flat, waarmee de suggestie van twee studerende vriendinnen moet worden gewekt. Annika studeert aan de sociale academie, en bezoekt samen met Thea ook wel eens studentenfeestjes. Maar zodra Jelle definitief in beeld blijft, gaat ze acuut met hem samenwonen en laat ze Thea alleen achter. Die vindt het wel wat minder leuk, maar aan alles kwam op een gegeven moment een eind, aldus het nuchtere commentaar van de schrijfster, die Annika op datzelfde moment laat denken: ik laat Thea nu wel achter, maar ik krijg er zo veel voor terug! Alsof beide dingen niet samen zouden kunnen. Alsof je niet gewoon bij je vriendin in een flat kunt blijven wonen en tegelijkertijd een vaste vriend kunt hebben...

De manege wordt in haar voortbestaan bedreigd. Een stuk grond, naast de manege, werd gehuurd. Er zijn stallen op gebouwd. Maar nu wil de eigenaar het terug, om er een compleet bungalowpark op te bouwen. Het moet dus om een stuk grond van minstens een vierkante kilometer gaan, of zoiets. Dat wordt protesteren bij de gemeente. Te paard. Met handtekeningen naar de wethouder. Niet veel later krijgt de eigenaar te horen, dat hij er geen bungalowpark op mag bouwen. Want geen bouwvergunning. Manege eigenaar Joost heeft die kennelijk wel gehad, om er stallen op te bouwen. Maar als de eigenaar er geen bungalowpark op mag bouwen, biedt hij Joost de grond voor een habbekrats te koop aan. Die er prompt de buitenbak naartoe verplaatst. Op die vrijgekomen plek, zijn eigen grond, laat hij nieuwe stallen neerzetten, aangezien die grond nu een agrarische bestemming heeft gekregen.

Hoe het precies zit met een bouwvergunning en een bestemming, weet ik niet. Maar de schrijfster wist er al net zo min raad mee. Ze had er goed aan gedaan, eens bij de gemeente te informeren, hoe zoiets nou precies in zijn werk gaat. Want zoals ze het nu heeft neergeschreven, klopt het zeker niet. Een agrarische bestemming is iets anders dan een woon- of horecabestemming. Een eigenaar van een stuk grond zal nooit iets gaan bouwen, voordat hij zeker is, dat hij dat mag. Die brief, waarin hij Joost laat weten, te zullen gaan bouwen, is dus nogal voorbarig. En als dat bungalowpark er al was gekomen, had die wijziging aangekondigd moeten zijn in de krant. Waarna de omwonenden zes weken de tijd kregen om bezwaar aan te tekenen. Ook daarover wordt niet gerept. En waarom zou je stallen afbreken, om ze ergens anders weer opnieuw neer te zetten? Erg onlogisch, allemaal. 

Vlot geschreven, gemakkelijk leesbaar, maar oppervlakkig verhaal, met als boodschap: "Echte moeilijkheden heb je niet als je nog jong bent en als ze er al eens zijn, komt alles toch in orde", aldus de recensie. En daar sluit ik me in dit geval wel bij aan. De titel van het boek is enigszins misleidend omdat in 2/3 gedeelte van het boek Annika en Jelle centraal staan, zo gaat het verder. Klopt ook. Het gaat veel meer over Jelle en Annika, die aan het einde van het verhaal uiteraard al een leuke woonzolder hebben gevonden. De recensie eindigt met Alle hoofdpersonen zijn volwassenen, maar ze spreken op het niveau van 13 tot 15-jarigen. Ook dat is waar. Toch was Kluitman tevreden. Waarschijnlijk om dat vlot geschreven en makkelijk leesbaar. Dat betekende immers ook: goed verkoopbaar. Wordt daarom opnieuw vervolgd.

08 oktober 2013

Onder de mimosa's

Lieke is een wees. Haar vader verloor ze al jong, en haar moeder, die ziek werd, heeft ze tot het einde toe verpleegd. Om op krachten te komen logeert ze met een tante aan de Rivièra. Maar tante gaat al snel terug naar Nederland en Lieke blijft alleen achter. Ze maakt snel kennis met Stef Veraart. Een jonge laborant, die door een ongeluk met gifgas ziek is geworden. Zijn hart, zijn longen en vooral zijn nieren zijn aangetast. Hij is door zijn dokter naar de Rivièra gestuurd, om te kuren. Zijn hond Jonas is zijn enige kameraad. Zowel Lieke als Stef hebben een familiekapitaaltje, wat hen in staat stelt, dit leventje te leiden. 

Niettegenstaande er in het hele boek slechts twee personen plus een hond voorkomen, verveelt het geen ogenblik, aldus een recensie in Het Vaderland. Persoonlijk vind ik dat dus wél een gebrek. Want er gebeurt niets. Nou ja, de ziekte en het langzame herstel van Stef wordt uitvoerig beschreven. Stef is koppig en wil niet naar een sanatorium, waar hij werkelijk zou kunnen genezen. Al is die kans klein. Tien procent. Er is ook tien procent kans dat hij komt te overlijden. En tachtig procent kans om voor altijd ziek te blijven. Waarom dus proberen beter te worden? Ook Stef is wees. Verdere familie of vrienden lijken ze geen van beiden meer te hebben. Maar ze hebben elkaar. En Lieke heeft de moed en de kracht voor hem te zorgen.

Uiteindelijk laat Stef zich opnemen in het sanatorium, waar hij een zware 'behandeling' krijgt en geneest. Wat ze precies met hem uitgespookt hebben wordt niet verteld. Dat het eigenlijk een wonder is, dat hij tot die tien procent blijkt te behoren, ook niet. Eerst wil Stef van geen genezen weten, dat lukt toch niet. En dan ineens wel. Maar dat zal wel door de liefde van zijn Lieveke komen. Wat zou het anders zijn? Het is een hopeloos sentimenteel verhaal, geschreven door iemand die geen idee heeft wat een gifongeluk voor gevolgen kan hebben voor een menselijk lichaam. En hoe ziek je daar van kunt zijn. Want Stef kan bijvoorbeeld wel in een auto naar de Rivièra rijden, vanuit Nederland, met slechts een tussenstop in België, maar een wandeling in Zuid Frankrijk is hem dan weer te veel. Er wordt een aantal keren aangehaald, dat hij vanwege zijn aandoening geen koffie mag hebben, maar als hij het dan tóch drinkt, lees je nergens wat dan de gevolgen zijn.

Het verhaal eindigt vrij plotseling, met de op handen zijnde trouwerij van Lieke en Stef. Het is dan twee jaar later. Ze hebben een huis in Frankrijk gekocht, wat ze op zijn Hollands hebben ingericht. Stef blijkt verzot op antiek en heeft veel veilingen afgelopen om het zo mooi mogelijk in te richten. Met zestiende eeuwse meubeltjes, onder andere. En dat in crisistijd. Dreigende oorlog en grote werkeloosheid, door heel Europa. Maar ook daar lees je niets over. En ik vraag me af wat of Stef gaat doen, nu hij weer genezen is. Zou hij nooit van zijn leven meer kunnen werken? Heeft hij genoeg geld om de rest van zijn leven te luieren? Daarover lees je niets.

Onder de mimosa's verscheen in 1938, met illustraties van Rie Reinderhoff. In 1960 verzorgde Hans Borrebach een moderner omslag en waren de illustraties verdwenen. Ik bezit beide drukken. Het verhaal maakt geen deel uit van de serie van boeken, die Sanne van Havelte schreef over de vier families die onderling met elkaar trouwden. Op de website van het Boekenmuseum, waar al haar boeken uitvoerig besproken worden, is ook een biografie van de schrijfster te lezen. Sanne van Havelte is zelf nooit getrouwd, zo blijkt. Of ze dan ook nooit een relatie heeft gehad,wordt niet duidelijk. Ik betwijfel het, na het lezen van dit verhaal. Die serie van dertien is nog wel aardig om te lezen. Maar dit verhaal doet wel heel onwaarschijnlijk aan.

06 oktober 2013

Pius almanak van katholiek Nederland

Ga je 'm ook nog echt lezen, of zet je 'm in de kast bij je andere oude boeken? wilde de verkoper van me weten, toen ik hem de € 2 overhandigde en de Pius Almanak 1962 | 63 voorzichtig in mijn rugzak liet glijden. Hij grinnikte en ik ook. We kenden elkaar niet, de verkoper en ik. Toch had hij me goed ingeschat. Ik was (en ben) en liefhebber. Want waarom zou ik anders een jaarboek kopen uit een jaar waarin ik overduidelijk nog niet geboren was?
Voorzichtig doorbladeren en daarna gauw in de kast zetten, zo antwoordde ik. En zei er maar niet bij, dat die twee euro die hij voor dit exemplaar had gevraagd erg voordelig was. Zoiets overkomt me veel vaker op een kofferbakmarkt en zeker bij oude vondsten is dat elke keer weer een feestje op zich.

Eenmaal thuis geïnstalleerd op de bank, bekeek ik het boek beter. Ik had dit eigenlijk niet eens alleen gekocht omdat ik oude boeken spaar. Deze aanschaf had nóg twee redenen. 1. Omdat ik ooit de opleiding bibliotheek en documentaire informatievoorziening heb voltooid en dit jaarboek, in nieuwere editie, verplichte kost was bij het vak Praktisch werken met handboeken en naslagwerken. Net als ons handboek en de Webster, waar ik al eerder over schreef. En 2. Omdat zo'n adresboek van vijftig jaar geleden een geweldig goed beeld geeft van het Rijke Roomse Leven, zoals dat toen heette. Want wat was het een omvangrijk geheel. Toen. Dertig jaar later zou ik hetzelfde boek in nieuwere druk op de opleiding gaan gebruiken, toen was het nog maar half zo dik.

Hoe kan het bestaan, dat dit bewaard is gebleven? Zelfs de boekenlegger en het correspondentiebriefje van de uitgever bleek er nog in te zitten. En dat voor een jaarboek, wat elk jaar opnieuw verscheen. Wat elk jaar vervangen werd. Het oude kon dus weg, om plaats te maken voor een nieuwe versie, met actuele gegevens. Althans, wat ze toen actueel noemden. Tot een jaar geleden bijgewerkt. Dat is nu om te lachen en ik doe er zelf aan mee. Wanneer mijn werkgever een mailing de deur uit doet naar diverse instanties, dan raadplegen we natuurlijk geen adresboek meer, maar websites. Ik werk op een afdeling die vroeger documentatiecentrum zou hebben geheten, maar die nu nog precies één almanak en één jaarboek heeft. Voor de rest is alles op internet te vinden.


Wat was het ook voor mij al weer lang geleden, dat raadplegen van een index, om zo op naam of plaats te kunnen zoeken. Terugbladeren naar de pagina waar de index je naar toe stuurt en ondertussen niet alleen adressen van allerlei instanties tegenkomen, maar ook reclame van bedrijven, die al lang niet meer bestaan. AaBe dekens, of de voorloper van Uitgeverij Zwijsen. Allebei in Tilburg. Maar dat werd ook in de jaren zestig de katholiekste stad van het zuiden genoemd. Ben er zelf jaren later gaan wonen en toen was dat nog steeds wel een beetje zo. Al waren al die kerkgebouwen op elke hoek intussen leeg komen te staan.


 Van dat Rijke Roomse Leven wat dit adresboek weergeeft, is niet veel meer over. In Tilburg kregen kerken tien jaar geleden al andere bestemmingen, variërend van museum tot inline skatebaan. De kerk in mijn geboortedorp is sinds kort geen onderdeel meer van een eigen parochie, maar opgegaan in een groter geheel. In mijn huidige woonplaats gebeurt over een paar jaar hetzelfde. Ze moeten wel. Bezuinigen, inkrimpen. Zo'n jaarboek is dus niet alleen een herinnering aan de opleiding of gewoon een leuke aanschaf op de kofferbakmarkt. Het is ook een stukje sociale geschiedenis. Nog veel meer dan een meisjesboek. En het staat nu inderdaad in de kast. Tussen een oude editie van de de Petite Larousse Illustré en een Winkler Prins in twee delen. Maar daarover later meer.

29 september 2013

Vriendschap op Picadero

Sylvie en Antal van Arendonck-van Dalsum krijgen nieuwe buren. De familie Pauwels heeft twee zonen, Stefan en Chris, en een dochter, Mirjam. Antal heeft sinds kort een vaste medewerker in dienst, Frank van der Hoeven. Frank ontmoet Mirjam bij de familie Van Arendonck en het stel krijgt een relatie. Op de manege wordt ingebroken, er schijnt ergens een oud kistje met juwelen te zijn begraven, tientallen jaren geleden. En Mirjam wil de beide stalknechten helpen de diefstal op te lossen, door de boeven op heterdaad te betrappen. Die moedige daad kost haar bijna haar relatie met Frank. Als Yvonne tijdens het verjaardagsfeest van Sylvie, waar Mirjam en Frank onafhankelijk van elkaar naar toe zijn gegaan, niet voor cupido had gespeeld.

Een paar hoofdstukken eerder is Mirjam jarig geweest, en kreeg ze al van Frank een mooi antiek parfumflesje. Mirjam werkt bij haar tante in de boekhandel in het dorp en voorziet Frank van boeken en kantoorartikelen. Broer Chris Pauwels verlooft zich en natuurlijk komt er ook hier weer meteen een huis uit de lucht vallen. Is er wederom van woningnood geen sprake. Er is een hartelijke familie, een eensgezinde schoonfamilie, de familie Van Dalsum is een groot geheel van gezelligheid en er wordt paard gereden. Ditmaal zelfs les genomen, aangezien Frank nog niet kan paardrijden. Maar aanleg blijkt hij wel te hebben en voor Mirjam wil hij het uiteraard graag leren.

Een detective-achtig verhaal, als onderdeel van een romannetje in paardenboekensfeer voor 13 jaar en ouder, afzonderlijk leesbaar in de serie, aldus de recensie. Dat is inderdaad, wat dit boek in de serie bijzonder maakt. Dat het niet alléen om elkaar de liefde verklaren gaat. Er zit nu eens géén jaloerse vriendin in, die komt stoken in een ontluikende romance. Of een zus, of schoonzus, die voor een vriendin wordt aangezien. Helen Taselaar voerde ze heel vaak op in haar verhalen, dit keer loste ze het op door er een inbraak aan toe te voegen, die nog niet zo maar opgelost blijkt. Dat maakt het spannend om te lezen.

Want verder zit dit deel uit de Picadero reeks weer overvol bekende ingrediënten. Hoe meer ik van Helen Taselaar lees, hoe meer ik dat idee krijg. Dat ze veel meer in opdracht van haar uitgever schreef, dan vanuit zichzelf. Dat het een kwestie was van een telefoontje of brief van Kluitman: doe nog eens een deeltje Picadero, want die verkopen zo goed.

Picadero is een serie geweest. En series zetten aan tot verzamelen, zo las ik ooit in een vakblad. Want met een nieuw deeltje uit een serie spreek je de al bestaande verzamelaars aan, om ook dit deel aan te schaffen. Maar als uitgever krijg je er vervolgens ook nieuwe verzamelaars bij. De meisjes die dit deel als eerste kochten en er achter komen, dat Picadero uit meerdere delen bestaat. Weliswaar afzonderlijk leesbaar, maar toch, een serie. Leuk om al die delen bij elkaar te hebben. En we zijn er nog niet. In het volgende deel gaan we weer op kamp. En moeten de paardrijdsters voor de manege in de bres springen. Wordt vervolgd, dus.  

22 september 2013

De Hongaarse keuken

Ze lagen met zijn drieën in de bekende bananendoos. Behalve een Hongaarse, ook nog een Duitse en een Zwitserse keuken. Maar daarover later meer. De verkoper vroeg er 1,50 voor, met zijn drieën. Ik had slechts 1,20 klein bij me, dat was ook goed. Drie pocketboekjes in de Prisma Reeks. Te beginnen met De Hongaarse keuken. Anno 1967. Toen we net een beetje kennis hadden gemaakt met de gastarbeider. Die nog geen enkel probleem vormde. Want hij deed het werk wat wij Nederlanders niet meer wilden doen. En hij kon nog lekker koken, ook. Je verstond alleen geen woord van wat hij allemaal zei.

Schrijfster Anna Telkics is een pseudoniem. In werkelijkheid is het Maria Horváth, een bekende actrice, aldus de achterflap. Ze vluchtte naar het westen, werd, na veel omzwervingen hoorspelactrice bij de Beierse Omroep en schrijft kookboeken in haar vrije tijd.
Wat een geweldig stuk historie, die paar zinnen alleen al. Die vlucht naar het westen, dat was natuurlijk voor het communisme, in 1956, tijdens de opstand. Hoorspelactrice, toneelspelen voor de radio. Ook al iets wat decennia geleden al uitstierf. En de Beierse Omroep, dat zal nu wel de ZDF geworden zijn. Een actrice annex kookboekenschrijfster, dus.

En wat voor een kookboek. Een jaren zestig exemplaar. Dus veel tekst en weinig plaatjes. En omdat het in dit geval een goedkope pocket is, voor iedereen bereikbaar, zelfs helemaal geen plaatjes. Een inhoudsopgave, die begint met een hoofdstuk Soepen en eindigt met Dranken. Daarna nog een register, van Aardappelen, gebraden tot Zuurkool met hom en kuit. En tenslotte een lange lijst van allerlei andere Prisma uitgaven. Ook leuk, om op die manier een nieuwe verzameling te starten. Maar goed. Ook dat is weer een ander verhaal. Elk hoofdstuk van deze pocket vertelt iets over de gebruiken van het land, de belangrijkste gerechten en geeft de lezer een stukje geschiedenis mee. Zodat je ook een beetje weet, waarom je iets kookt.

Dan de gerechten zelf. Briljante eenvoud. Dat is ook precies, wat me zo stoort aan de kookboeken van nu. Behalve dan dat het plaatjeskijkboeken zijn geworden. Je kunt nu geen gerecht meer maken, zonder dat je er de halve stad voor af moet fietsen. Er bestaat geen soep, saus of salade meer, zonder dat je er voor naar de toko of de Pasar Malam moet. Indien aanwezig. Want ik woon in een dorp met alleen een supermarkt en een slager. En de stad is zeker een halfuur ver. Dan heb je zo'n potje van iets gekocht, en er maar één theelepeltjes van nodig. Tien euro voor een potje, dat je daarna nooit meer gebruikt. En dan wordt het met al dat gepruts, ook nooit zo mooi als op de foto.

Nee, doe mij maar zo'n boek als de Hongaarse keuken. Waar in elke soep nog gewoon boter gaat, of letterlijk vet. Neem nou een Druivenplukkersmaaltijd van rundvlees, spek, gort en peterselie. Of Galuska, een gerecht dat alleen maar uit eieren, bloem, zout, zure room en jawel, boter bestaat. Karper met vet en zure room. Sinaasappelsaus met melk. Gebakken appels uit de oven met abrikozenjam. Alleen al van het lezen zou je misselijk worden. Dit zou de Nederlandse Hartstichting absoluut afkeuren, dit soort gerechten. Maar in 1967 dachten ze nog niet aan de gevolgen van zo veel en zo vet eten. Toen was het alleen nog maar allemaal heel lekker. En simpel om zelf te maken. Jó étvágyát, of te wel: smakelijk eten.


'De Hongaarse keuken ' verscheen oorspronkelijk bij Wilhelm Heyne Verlag, te München, onder de titel: 'Ungarische Küche'. De vertaling werd verzorgd door D.A.M. Basoski-de Wit.

07 september 2013

Marianne's mooiste souvenir

Op de achterkant van het omslag staat een kleine biografie van de schrijfster, Netty Koen-Conrad, die eindigt met: Zij heeft een zoontje, woont buiten, maar heeft haar hart verpand aan Amsterdam en Parijs. Dat blijkt, niet alleen uit dit boek. Misschien heeft de uitgever het wel bewust vermeld, in dit geval. Want Marianne's mooiste souvenir speelt zich voor het grootste gedeelte in Parijs af.

Het boek begint met een spreuk, zoals vaker bij deze schrijfster. Een Engelse spreuk van Poincaré, met de Nederlandse vertaling er onder. Het is toeval, wanneer kleine oorzaken grote gevolgen hebben.  Helemaal waar. En ja, dit is wel een heel toevallig verhaal.

Marianne Rogier is een wees. Ze heeft haar ouders al jong verloren en is daarna door haar oma opgevoed. Toen ook die overleed, heeft ze nog een poosje bij een neef gewoond, die haar liever kwijt dan rijk was. Gelukkig was Stans er nog, voluit Constance Nolten. Een vriendschap al vanaf de lagere school. Het kind had haar direct vriendelijk toegeknikt en de helft van haar zak met katjesdrop gegeven, zo staat er op pagina 11. Op precies dezelfde manier zou de schrijfster de vriendschap tussen Ineke en Anneke laten ontstaan.

Maar waar Ineke uit een hecht gezin komt en Anneke bij een oom en tante inwoont, daar heeft in dit geval niet alleen Marianne, maar ook Stans geen familie meer. Nou ja, op afstand. Haar ouders zijn met de drie zusjes geëmigreerd. Stans had van Amsterdam geen afstand willen doen en mocht uiteindelijk in Holland achterblijven. Als meisje van amper twintig. Maar goed, ze had haar HBS diploma en een cursus voor privé secretaresse. Ook al zo'n vaak terugkerend beroep in de boeken van Netty Koen Conrad. Stans wordt er secretaresse van Harry Greefen mee, schrijver van zowel wetenschappelijke werken, als romans, als gedichten.

Stans heeft een flat gevonden in Amsterdam en Marianne uitgenodigd bij haar te komen wonen. Voor Marianne, die geen diploma's heeft, regelt ze een baantje als telefoniste. En was dat allemaal nog niet mooi genoeg, twee jonge meisjes in een eigen onderkomen in Nederlands hoofdstad, er wordt ook nog een vakantie naar Parijs geregeld. Per scooter. Waar Stans even vlug haar rijbewijs voor haalt. En die ze van een vriend van Harry Greefen mogen lenen.

Onderweg naar Parijs treffen ze Edu de Gooijer. Hij is vrachtwagenchauffeur en weet zijn vracht niet goed beladen. Het touw steekt er gedeeltelijk uit, en Marianne en Constance raken er gedeeltelijk in verstrikt en komen ten val. Gelukkig is het ongeluk niet ernstig. Wel is het liefde op het eerste gezicht, tussen Marianne en Edu. Ondanks het standsverschil. Waar Stans, als verpersoonlijking van de schrijfster, toch wel een beetje op tegen is. Want wat voor toekomst heb je als vrouw van een vrachtwagenchauffeur? Je zult het nooit erg breed hebben.

Edu weet goed de weg in Parijs, en blijft hen ontmoeten. Voor een vrachtwagenchauffeur is hij welbespraakt en goed gemanierd. Eenmaal terug in Nederland blijkt hij geen vrachtwagenchauffeur, maar de zoon van de transportfirma, die bij wijze van uitstapje voor de grap eens een vracht naar Parijs wilde vervoeren. Standsverschil bestaat niet meer. Sterker nog. De familie De Gooijer is zelfs rijk. Marianne is onder de pannen, met een aardig stel schoonouders. Nu Stans nog.

En daar is schrijver Harry, met zijn strenge moeder, zijn zwakke gezondheid en uiteindelijk ook zijn liefde voor Stans. Hij reist naar Zwitserland om te kuren, Stans gaat met hem mee en zo komt de flat voor Edu en Marianne beschikbaar. Woningprobleem ook opgelost. Nu de titel nog. Dat slaat op een flessen'rek' van touw. Het touw, waarmee het ongeluk is veroorzaakt. Edu geeft het Marianne, op hun verloving. Als ze eenmaal getrouwd zijn, gaat ze het dagelijks gebruiken. Als haar mooiste souvenir.